Nr 93.581E
Zitting: 26 januari 1993
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
De economische kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van. 22 november 1991 het op 7 juli 1989 in eerste aanleg in deze zaak gewezen vonnis van de economische politierechter te Middelburg vernietigd en de verzoeker van cassatie wegens "Opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens artikel 23 van de Wet op de economische delicten gedaan door een opsporingsambtenaar" veroordeeld tot een geldboete van f 2500,-, eventueel te vervangen door 30 dagen hechtenis.
Mr. J.M.E. Schieman, advocaat te Middelburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel houdt in dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de in de telastelegging voorkomende woorden "in het belang van de opsporing", welke woorden moeten worden geacht aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan in art. 23, lid 1 WED toekomt, zodat het hof de grondslag van de telastelegging heeft verlaten.
Het bestreden arrest bevat een "Bewijsoverweging", waarin het hof heeft uiteengezet welke uitleg het aan voormeld begrip heeft gegeven. Ik geef die overweging hier geheel weer:
Bewijsoverweging
1. Telaste is gelegd - kort gezegd - het opzettelijk niet voldoen aan een vordering ex artikel 23 van de Wet op de economische delicten.
2. De eerste rechter heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken, aangezien hij niet bewezen achtte het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, welk vermoeden naar zijn oordeel voorwaarde is voor toepassing van genoemd wetsartikel.
3. De officier van justitie heeft in zijn appelschriftuur als grief aangevoerd - samengevat - dat de eerste rechter ten onrechte het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld niet bewezen heeft geacht. Weliswaar bestond niet een verdenking ten aanzien van iedere visser afzonderlijk die op 10 juni 1988 met zijn schip de haven van Vlissingen binnenvoer, maar wel was sprake van een collectieve verdenking dat de betrokken vissers toen illegaal vis aan land wilden brengen, waardoor aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 23 van de Wet op de economische delicten werd voldaan.
4. Ter zitting in hoger beroep heeft de procureur-generaal zich op het standpunt gesteld, dat de wet de bevoegdheid tot het vorderen van medewerking aan de controle "in het belang van de opsporing" niet bindt aan het bestaan van enigerlei verdenking, en bewijs daarvan dus niet vereist is.
5. Namens de verdachte is bepleit de bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, omdat niet bewezen is het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld van verdachte aan enig strafbaar feit, noch ook het bestaan van een redelijk belang der controle bij bedoelde vordering.
6. Artikel 23, lid 1, van de Wet op de economische delicten luidt als volgt:
"1. De opsporingsambtenaren kunnen in het belang van de opsporing vorderen, dat bestuurders van vervoermiddelen deze doen stilhouden en controle toestaan op de naleving van de voorschriften, bedoeld in artikel 1. Zij kunnen, indien de belangen der controle naar hun redelijk oordeel zulks vorderen, ten koste van ongelijk deze vervoermiddelen naar een nabij gelegen plaats overbrengen, lossen of doen lossen, dan wel afladen of doen, afladen. Zij kunnen vorderen, dat de bestuurders overeenkomstig hun aanwijzingen terzake medewerking verlenen. "
7. De woorden "in het belang van de opsporing" zijn ingevoegd bij wet van 21 mei 1969, Staatsblad 232. In het Voorlopig. Verslag op het wetsontwerp, dat geleid heeft tot de wet van 21 mei 1969, Stb. 232, werd de vraag gesteld of monsterneming, weging en opmeting alleen mogen geschieden in het geval dat er sprake is van enigerlei verdenking van het bestaan van een economisch delict. De hieromtrent bestaande twijfel hield verband met het feit dat in artikel 23, zoals dat toen luidde, de woorden "in het belang van de opsporing" niet voorkwamen; deze laatste bepaling zou ontleend zijn aan de fiscale wetgeving die daarbij ook het oog op de uitoefening van de controle- bevoegdheden zou hebben gehad.
De Memorie van Antwoord zei hierop:
"Monsterneming op grond van artikel 21, eerste lid, Wet op de economische delicten mag zoals de tekst uitdrukkelijk zegt, slechts geschieden in het belang van de opsporing. Hetzelfde moet worden aangenomen voor de bevoegdheid, bedoeld in artikel 23, tot het doen stilhouden en controleren van vervoermiddelen. Dit volgt naar de mening van de ondergetekende uit de plaatsing in titel III. Men zou dit al kunnen afleiden uit de plaatsing in de Wet op de economische delicten, die, zoals de considerans zegt, regelen vaststelt voor de opsporing, vervolging en berechting van economische delicten. Ter voorkoming van misverstand wordt in de hierbij gevoegde nota van wijziging voorgesteld de formulering van artikel 23 op dit stuk aan die van de artikelen 21 en 22 aan te passen. Men kan de woorden "in het belang van de opsporing" niet los zien van de context van de Wet op de economische delicten. Bij de handhaving van bepaalde economische voorschriften (vooral inzake kwaliteitseisen) kan de opsporing zich niet alleen richten op gevallen waarin sprake is van een concrete verdenking van een door een bepaalde persoon gepleegd delict. Zijn er aanwijzingen, dat een economisch voorschrift niet is nageleefd, dan brengt het belang van de opsporing mee dat door monsterneming e.d. wordt nagegaan waar zich concreto een overtreding voordoet. "
8. Reeds gelet op de wetsgeschiedenis moeten de woorden "in het belang van de opsporing" naar het oordeel van het hof aldus worden uitgelegd, dat niet een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering is vereist voor de in artikel 23 van de Wet op de economische delicten bedoelde vordering.
9. De zinsnede in de Memorie van Antwoord waarin gesproken wordt van "aanwijzingen" verstaat het hof als voorbeeld en geenszins als beperking van de in artikel 23 van de Wet op de economische delicten neergelegde bevoegdheden van opsporing en controle.
Een dergelijke beperking zou ook niet passen gelet op de aard van de te handhaven bepalingen en gezien de, uit de considerans blijkende, strekking van de wet; die strekking geeft evenmin aanleiding om een onderscheid aan te brengen tussen bevoegdheden van opsporing en controle: onder opsporing in artikel 23 van de Wet op de economische delicten is controle mede begrepen.
10. Het verweer, dat het bevel er aan mee te werken om het vaartuig naar de 1e Binnenhaven te Vlissingen over te brengen en te lossen niet in redelijkheid door de belangen van de controle werd gevorderd, dient te worden verworpen. Het is voldoende aannemelijk geworden dat alleen als de vis uit het vaartuig was verwijderd geverifieerd kon worden of voldaan was aan de voorschriften van de in de telastelegging genoemde regelingen, terwijl zich aan de 1e Binnenhaven de faciliteiten voor lossing bevonden onder de, in de gegeven omstandigheden kennelijk noodzakelijke, bescherming van omstreeks 100 ME-politiemensen.
11.Uit het voorgaande volgt, dat de desbetreffende opsporingsambtenaar bevoegdelijk de medewerking van de verdachte heeft gevorderd.
In de toelichting op het middel wordt hiertegen ingebracht dat "in het belang van de opsporing" ziet op de opsporing van economische delicten, strafbare feiten dus. Daarvan kan pas sprake zijn indien er ter zake van overtreding van enig economisch voorschrift enige verdenking in de zin van art. 27 WvSv is gerezen.
Het komt mij voor dat met name uit de laatste alinea van de door het hof in zijn bewijsoverweging onder 7 weergegeven passage uit de Memorie van Antwoord kan worden opgemaakt welke relatie tussen "in het belang van de opsporing" enerzijds en "verdenking ter zake van het plegen van een strafbaar feit" anderzijds de wetgever destijds voor ogen heeft gestaan. De zin:
"Bij de handhaving van bepaalde economische voorschriften ... kan de opsporing zich niet alleen richten op gevallen waarin sprake is van een concrete verdenking van een door een bepaald persoon gepleegd delict"
geeft m.i. aan dat het inzetten van de aan de WED ontleende opsporingsbevoegdheden niet is beperkt tot de gevallen waarin uit feiten en omstandigheden een 'redelijk vermoeden' als bedoeld in art. 27 WvSv voortvloeit. Uit de daarop volgende zin, luidend
"Zijn er aanwijzingen, dat een economisch voorschrift niet is nageleefd, dan brengt het belang van de opsporing mee dat door monsterneming e.d. wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet"
blijkt dat een ruimere grens moet worden getrokken.
Voordat ik inga op de vraag of die grens zo ruim moet worden getrokken als door het hof in zijn bewijsoverweging onder punt 9 wordt gedaan merk ik op dat het hof blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen feitelijk heeft vastgesteld dat er zich op en/of omstreeks het bewezenverklaarde tijdstip meermalen "illegale aanlandingen" voordeden. Ik citeer uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van de getuige [getuige]:
"Naar mijn oordeel was er alle reden om controle uit te oefenen. In de tijd daarvoor is sprake geweest van illegale aanlandingen. Zelfs op 10 juni 1988 zijn er illegale aanlandingen geweest".
Niet van belang is of het hier gaat om "illegale aanlandingen" ter zake waarvan de verzoeker als verdachte kan worden aangemerkt, maar of die aanlandingen kunnen gelden als "aanwijzingen, dat een economisch voorschrift niet is nageleefd". Dat laatste kan, dunkt mij, bezwaarlijk worden ontkend. Welnu: dan is daarmee gegeven dat het belang van de opsporing meebrengt dat door het inzetten van de aan de WED ontleende opsporingsbevoegdheden (waaronder dus die, bedoeld in art. 23 WED) wordt nagegaan waar zich in concreto een overtreding voordoet. En dat is nu precies wat er blijkens de gebezigde bewijsmiddelen in casu is gebeurd.
Reeds hierom kan naar mijn mening het middel niet slagen, wat er ook zij van hetgeen het hof onder punt 9 van zijn bewijsoverweging heeft overwogen.
Nog een enkele opmerking over dat punt 9. In de Memorie van Antwoord volgt op de door het hof onder punt 7 weergegeven passage (onder meer) het volgende:
"In de gevallen dat de wetgever daarenboven de behoefte voelt aan bevoegdheden tot monsterneming en het doen stilhouden en controleren van voertuigen in het kader van een administratief toezicht, zonder dat direct gezegd kan worden dat dit in het belang van de opsporing geschiedt, behoort hierin afzonderlijk bij de wet te worden voor zien ... De bevoegdheden op grond van de Wet op de economische delicten en die op grond van bijzondere wetten zullen elkaar overigens vaak overlappen".
Buiten het kader van het hier bedoelde "administratief toezicht" valt naar mijn mening het toezicht op de naleving van voorschriften, waarvan de niet-naleving een economisch delict in de zin van art. 1 WED oplevert. Ik meen dat die zienswijze besloten ligt in het arrest HR 25 juni 1982, DD 82.387. In die zaak was voor het bewijs gebruikt een door een ambtenaar bij de Loontechnische Dienst van het Ministerie van Sociale Zaken opgemaakt proces-verbaal, waarin werd gerelateerd dat die verbalisant "in het kader van het toezicht op de naleving van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten een onderzoek heeft ingesteld naar het ter beschikking stellen van arbeidskrachten door ... ". Toen in cassatie werd aangevoerd dat dat proces- verbaal kennelijk was gebruikt als bewijsmiddel in de zin van art. 344, lid 1 aanhef en onder 2 WvSv maar dat het niets inhield waaruit volgde dat die ambtenaar tot het opmaken ervan bevoegd was, antwoordde de Hoge Raad dat krachtens art. 17, lid 1 aanhef en onder 2 WED in verbinding met de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 2 oktober 1970, no. 507\270 die ambtenaar bevoegd was tot opsporing van bedoelde feiten, en dat het middel dus faalde. Dit antwoord is alleen dan als antwoord op de klacht te zien, wanneer wordt uitgegaan van de vooronderstelling dat in zaken als die welke toen aan de orde was (economisch delict) de opsporingsbevoegdheid ter zake van strafbare feiten als het 'bredere' begrip het toezicht op de naleving van voorschriften, waarvan de niet-naleving een economisch delict oplevert, mede omvat. Naar mijn mening geeft hetgeen het hof in de onderhavige zaak onder punt 9 van zijn bewijsoverweging heeft overwogen dan ook geen blijk van een onjuiste uitleg van "in het belang van de opsporing" als bedoeld in art. 23, lid 1 WED.
Ook hierom kan het middel niet slagen.
Gronden voor cassatie ambtshalve zijn er niet.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,