28 oktober 1994
Eerste Kamer
Nr. 15.434
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr R.F. Foortse,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 24 augustus 1988 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd, voor zover thans van belang, te verklaren voor recht dat [eiser] eigenaar is van het perceel alsmede van de daarop gebouwde en in de dagvaarding omschreven opstal.
Nadat [verweerder] verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 4 oktober 1990 een descente en een comparitie van partijen bevolen. Vervolgens heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 21 november 1990 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 18 maart 1992 de vorderingen van [eiser] toegewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, waarna [eiser] voor zover nodig zijn eis heeft gewijzigd en incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Na verzet tegen de wijziging van eis door [verweerder] heeft het Hof bij arrest van 18 maart 1993 [eiser] niet ontvankelijk verklaard in het incidenteel appel voor zover gericht tegen het tussenvonnis van 4 oktober 1989, het bestreden eindvonnis vernietigd, en de vorderingen van [eiser] alsnog afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. [eiser] is eigenaar van de opstal met grond [a-straat 1] te [woonplaats], terwijl de daaraan grenzende opstal met grond, [a-straat 2], toebehoort aan [verweerder]. In een schuur die, althans grotendeels, op de grond van [verweerder] staat en aan [verweerder] toebehoort, bevindt zich een "buitenplee" - die, voordat zij door [verweerder] werd afgesloten, slechts was voorzien van een toegangsdeur aan de zijde van de tuin van [eiser] en niet toegankelijk was vanaf [a-straat 2].
[eiser] heeft, voor zover thans van belang, gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de bedoelde closetinrichting aan hem toebehoort. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de buitenplee behoorde bij het perceel dat hij in 1951 door levering heeft verkregen. Subsidiair heeft hij aangevoerd, dat hij die closetinrichting door verjaring heeft verkregen omdat hij na de verkrijging van het perceel [a-straat 1] de grond en de buitenplee meer dan 30 jaar in gebruik heeft gehad. De Rechtbank heeft de vorderingen van [eiser] toegewezen op grond van haar oordeel dat [eiser] door verjaring een beperkt zakelijk recht tot gebruik van de buitenplee heeft verkregen. Het Hof heeft de vorderingen van [eiser] echter alsnog afgewezen. Daartegen is het middel gericht.
3.2 De eerste klacht van onderdeel 1 verwijt het Hof dat het zonder motivering heeft geoordeeld dat de closetinrichting deel is van de aan [verweerder] toebehorende opstal.
De klacht faalt. Het Hof heeft - niet onbegrijpelijk - in hetgeen [eiser] in hoger beroep heeft aangevoerd niet gelezen dat [eiser] ook een grief heeft gericht tegen het oordeel van de Rechtbank - tussenvonnis van 21 november 1990, rov. 2.4 - dat de closetinrichting één geheel vormt met een aan [verweerder] toebehorend gebouw dat door de Rechtbank aldaar als berging wordt aangeduid. Het Hof moest derhalve van de juistheid van het oordeel van de Rechtbank uitgaan.
3.3 Alle overige in het middel vervatte klachten gaan uit van de opvatting dat [eiser] door levering dan wel door verjaring eigendom van de closetinrichting kan hebben verkregen. Zij stellen niet opnieuw het door de Rechtbank aangenomen beperkte zakelijk recht aan de orde, maar verwijten het Hof slechts dat het zodanige verkrijging niet heeft aangenomen. Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende worden vooropgesteld.
3.4 Uit art. 656 (oud) BW, in zoverre in overeenstemming met art. 5:20 BW, vloeit als hoofdregel voort dat de eigenaar van een perceel grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd. In afwijking van die regel geldt dat, zo een bestanddeel van een gebouw zoals een kelder, uitbouw of balkon, zich bevindt in, op of boven grond die aan een ander dan de eigenaar van dat gebouw toebehoort, dit bestanddeel geen eigendom is van de grondeigenaar, maar toebehoort aan de eigenaar van het gebouw waarvan het deel uitmaakt, zij het dat de grondeigenaar wegneming van dit bestanddeel kan vorderen, wanneer geen bevoegdheid bestaat dit in, op of boven zijn grond te hebben. Er bestaat echter geen goede reden om, eveneens in afwijking van voormelde hoofdregel, te aanvaarden dat een onderdeel van een gebouw kan toebehoren aan een ander dan de eigenaar van dat gebouw, in een geval waarin dat onderdeel niet een bestanddeel is van een gebouw dat aan die ander toebehoort.
3.5 Wat het onderhavige geval betreft heeft de Rechtbank vastgesteld dat de closetinrichting een onderdeel is van een aan [verweerder] toebehorend gebouw. Zij is niet een bestanddeel van een gebouw dat aan [eiser] toebehoort. Uit hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen vloeit derhalve voort dat de closet- inrichting niet aan [eiser] kan toebehoren. Daarop stuiten de onder 3.3 bedoelde klachten af.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 507,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 28 oktober 1994.
Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,