ECLI:NL:PHR:1994:55

ECLI:NL:PHR:1994:55, Parket bij de Hoge Raad, 02-09-1994, 15.434

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 02-09-1994
Datum publicatie 27-11-2025
Zaaknummer 15.434
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1994:ZC1502
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Als closet ingerichte ruimte, zich bevindend binnen een aan de ene partij toebehorend perceel, doch enkel toegankelijk van uit een aan de andere behorend perceel. Eigendom van de grond. Natrekking: duurzaam met de grond verenigd gebouw. Bestanddeel van een gebouw.

Uitspraak

Rolnummer 15 434

Zitting 2 september 1994

Mr De Vries Lentsch - Kostense

Conclusie inzake

[eiser]

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en verloop van het geding

1. Partijen, [eiser] en [verweerder], zijn buren. [eiser] is sinds 1951 eigenaar van perceel [a-straat 1] te [plaats], kadastraal bekend sectie […]. [verweerder] is eigenaar van perceel [a-straat 2], kadastraal bekend […].

[eiser] en [verweerder] betwisten elkaar de ter plaatse gelegen als "buitenplee" aangeduide, afgescheiden, ruimte van ongeveer 1,5 bij 1,5 bij 2 meter, die een onderdeel vormt van (gelegen is in) de aan [verweerder] in eigendom toebehorende schuur (ik kom daar nog op terug), doch slechts bereikbaar is - via een deur - vanuit de tuin van het perceel van [eiser].

Deze buitenplee werd voorheen door de rechtsvoorgangers van [eiser] nog als zodanig gebruikt. [eiser] heeft gesteld - een stelling die overigens door [verweerder] is betwist - dat de buitenplee door hemzelf (sinds zijn verkrijging in 1951) is gebruikt als hondehok en als bergplaats. (Een van de door [eiser] gehoorde getuigen heeft verklaard dat de hond van [eiser] op de plank moest zitten die over de plee was gelegd.)

[verweerder] heeft in 1985 de binnenwand afgebroken die de buitenplee van het rechterdeel van zijn schuur scheidde; hij heeft tevens de toegangsdeur aan de zijde van de tuin van [eiser] vanaf de binnenzijde geblokkeerd.

2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 24 augustus 1988 heeft [eiser] - kort gezegd - gevorderd een verklaring voor recht dat de buitenplee hem in eigendom toebehoort alsmede "herstel in de oude toestand", primair op grond van eigendomsverkrijging (in 1951) van het perceel [a-straat 1] waartoe ook bedoelde buitenplee zou behoren en subsidiair op grond van verkrijgende verjaring omdat hij de grond en de buitenplee - sinds de verkrijging van perceel [a-straat 1] - meer dan dertig jaar in gebruik heeft gehad.

3. Na een door haar gehouden descente stelt de Rechtbank in haar tussenvonnis van 21 november 1990 vast dat de buitenplee één geheel vormt met het als "berging" aangeduide rechterdeel van de schuur/opstal van [verweerder], die - aldus de Rechtbank - op zijn beurt bouwkundig één geheel vormt (zie de rechtsoverwegingen 2.4, 2.6 en 2.8). De Rechtbank verbindt hieraan de conclusie (deze conclusie ligt althans in rechtsoverweging 2.8 besloten) dat [verweerder] eigenaar is van de gehele schuur, inclusief de buitenplee; dat oordeel baseerde zij kennelijk op de - zowel naar oud als naar huidig recht geldende - regel dat de eigenaar van een zaak eigenaar is van al haar bestanddelen voor zover de wet althans niet anders bepaalt. De Rechtbank overweegt in dat verband nog dat [verweerder] door verjaring het recht van opstal op de ondergrond van de buitenplee heeft verkregen indien de ondergrond van de buitenplee niet hem maar [eiser] in eigendom zou toebehoren. Tegen deze overwegingen is geen grief gericht. (Ik kom hier onder nr. 7 op terug.) Dit impliceert dat ervan moet worden uitgegaan dat [verweerder] eigenaar is van de buitenplee. Dat wordt naar het mij voorkomt door het eerste en het derde middelonderdeel miskend; ik kom ook daar nog op terug.

Bij genoemd tussenvonnis verwerpt de Rechtbank eveneens [eiser]'s stelling dat hij door verjaring de eigendom heeft verkregen van de grond waarop de buitenplee staat; wel laat zij [eiser] overeenkomstig zijn aanbod toe tot het bewijs van zijn stelling dat bedoeld stuk grond hem door zijn rechtsvoorganger in eigendom is geleverd. Bij haar eindvonnis van 18 maart 1992 acht de Rechtbank [eiser] in dat bewijs niet geslaagd; zij wijst de gevorderde verklaring voor recht dan ook af.

De Rechtbank oordeelt in haar zojuist genoemde tussenvonnis verder - op grond van een wel zeer ruimhartige uitleg van [eiser]'s vordering - dat onderzocht moet worden of [eiser] wellicht een beperkt zakelijk recht op de buitenplee kan doen gelden; in dat verband laat zij [eiser] toe tot het bewijs van zijn stelling dat de buitenplee sedert 1951 bij hem als bergplaats en als hondehok in gebruik is (geweest). In haar eindvonnis komt de Rechtbank - terecht op dit punt het "oude recht" toepassend - tot de slotsom dat [eiser] inderdaad door verjaring een beperkt recht op de buitenplee heeft verkregen; zij is van oordeel dat het erf van [verweerder], [a-straat 2], vanaf 1951 (toen [eiser] perceel [a-straat 1] verkreeg) meer dan dertig jaar belast is geweest met het dulden van een voortdurende erfdienstbaarheid in de zin van art. 724 lid 2 oud BW, inhoudende het dulden van het uitsluitend gebruik van de buitenplee door de eigenaar van [a-straat 1]. De Rechtbank baseert dit oordeel met name op de omstandigheid dat [eiser] de exclusieve beschikking had over de buitenplee in die zin dat deze slechts toegankelijk was vanaf zijn perceel [a-straat 1] terwijl zij tevens in aanmerking neemt dat [eiser] zelf gezien de getuigenverklaringen in ieder geval enig gebruik heeft gemaakt van de buitenplee.

4. Bij zijn arrest van 18 maart 1993 geeft het Hof - in rechtsoverweging 5.1 - een omschrijving van het geschil. Tegen die omschrijving richt zich het eerste middelonderdeel tevergeefs; ik kom daar nog over te spreken.

Daarop verwerpt het Hof de door [eiser] in zijn incidenteel appel voorgedragen grieven. Het Hof stelt daartoe voorop dat deze grieven beide zijn gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat de grond waarop de buitenplee staat hem door zijn rechtsvoorganger in eigendom is geleverd. Overigens is het Hof kennelijk - gezien zijn hierna geciteerde rechtsoverweging 5.6 - van mening dat bij de beoordeling van deze grieven mede de vraag onder ogen moet worden gezien of [eiser] door verjaring eigendom van die grond heeft verkregen. 's Hofs overwegingen met betrekking tot de incidentele grieven luiden als volgt:

"5.6. Nu aan het hof geen akten van eigendomsoverdracht zijn overgelegd waaruit blijkt dat het perceel van [eiser] ook de ondergrond van de "buitenplee" omvat, en voorts uit de afgelegde getuigenverklaringen of anderszins onvoldoende is gebleken van feiten waaruit valt af te leiden dat [eiser] of diens rechtsvoorganger(s) bedoelde grond, welke deel uitmaakt van het erf van [verweerder], voor zichzelf in bezit had, moet worden vastgesteld dat [eiser] geen eigenaar daarvan is, ook al zou zijn voldaan aan de termijn die voor eigendomsverkrijging door verjaring is gesteld."

Vervolgens overweegt het Hof met betrekking tot de door [verweerder] in het principaal appel voorgedragen grieven, gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] door verjaring een beperkt zakelijk recht op gebruik van de "buitenplee" heeft verkregen:

"5.11. Deze grieven zijn gegrond. Uit getuigenverklaringen of vaststaande feiten valt niet af te leiden dat de closetinrichting door [eiser] en diens rechtsvoorgangers anders dan krachtens eenvoudig gedogen als zodanig werd gebruikt. In het bijzonder is niet of althans onvoldoende gebleken van een naar buiten blijkende wil een hierbij passend zakelijk gebruiksrecht te doen gelden. Andere feiten en omstandigheden waaruit zulk een zakelijk recht valt af te leiden, zijn gesteld noch gebleken. Voor enige bewijslevering te dier zake is dan ook geen plaats.

Overigens zou de erfdienstbaarheid van de "buitenplee", indien zij al voorheen bestond, in ieder geval in 1981 zijn tenietgegaan doordat [eiser], die in 1951 krachtens koop eigenaar werd van zijn perceel, naar

de door [eiser] niet bestreden en dus vaststaande stellingen van [verweerder], van deze closetinrichting als zodanig dertig jaar geen gebruik heeft gemaakt.

5.12. De stelling van [eiser] dat de "buitenplee" sedert 1951 bij hem als bergplaats en als hondehok in gebruik is geweest (kennelijk naast of in plaats van het gebruik als closetinrichting) leidt niet tot een ander oordeel nu ook dit gebruik van de closetinrichting op een eenvoudig gedogen van de rechthebbende op dit deel van de opstal berust."

Daarop vernietigt het Hof het eindvonnis van de Rechtbank; de vorderingen van [eiser] worden alsnog afgewezen.

5. [eiser] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak van een schriftelijke toelichting voorzien; [eiser] heeft bovendien nog gerepliceerd.

Het cassatiemiddel

6. Het eerste onderdeel komt, zoals gezegd, op tegen 's Hofs in rechtsoverweging 5.1 gegeven omschrijving van het geschil, met name tegen 's Hofs overweging dat de tot buitenplee bestemde ruimte "deel is van de aan [verweerder] in eigendom toebehorende opstal met bijbehorende grond" alsmede tegen 's Hofs overweging - in rechtsoverweging 5.6 - dat de ondergrond van de buitenplee "deel uitmaakt van het erf van [verweerder]".

Betoogd wordt dat het Hof de buitenplee niet zonder meer als onderdeel van de eigendom van [verweerder] had mogen beschouwen omdat het Hof aldus het geschil op voorhand heeft beperkt terwijl de grieven in het incidenteel appel juist waren gericht, aldus dit middelonderdeel, tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] door levering noch door verjaring eigenaar van de opstal en/of ondergrond van de buitenplee zou zijn geworden.

7. Zoals hiervoor onder 3 gezegd, stelde de Rechtbank vast - in de rechtsoverwegingen 2.4 en 2.8 van haar tussenvonnis van 21 november 1990 - dat de buitenplee één geheel vormt met het als "berging" aangeduide rechter deel van de bouwkundig één geheel vormende schuur van [verweerder]; in rechtsoverweging 2.6 constateerde zij dat de door [verweerder] overgelegde, kennelijk uit 1908 daterende, kadastrale tekening aangeeft dat de - in 1907 gebouwde - schuur zich geheel op het thans aan [verweerder] in eigendom toebehorende perceel F 1203 bevindt.

Het middel miskent naar mijn oordeel dat het Hof met zijn bestreden overwegingen kennelijk slechts refereert aan deze feitelijke vaststellingen. Die feitelijke vaststellingen waren in appel - althans naar het oordeel van het Hof - juist niet door [eiser] bestreden evenmin als, zo voeg ik daaraan toe, het oordeel van de Rechtbank dat [verweerder] als eigenaar van de schuur tevens eigenaar is van de buitenplee, zijnde een bestanddeel van die schuur. Zoals hiervoor onder 4 reeds opgemerkt, stelde het Hof immers vast dat de door [eiser] aangevoerde grieven slechts betrekking hadden op de vraag of [eiser] eigenaar was van de grond waarop de buitenplee stond. Voor zover het eerste middelonderdeel er mede toe strekt deze aan het Hof voorbehouden uitleg van de grieven te bestrijden, faalt het eveneens; 's Hofs uitleg is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.

Aan het middel zij overigens toegegeven dat deze feitelijke vaststellingen van doorslaggevende betekenis zijn voor de beantwoording van de vraag aan wie de eigendom van de buitenplee toekomt. Daarover kwam ik hiervoor reeds te spreken.

8. Het tweede middelonderdeel komt op tegen 's Hofs overweging (de hiervoor onder 4 geciteerde rechtsoverweging 5.6) dat "nu aan het hof geen akten van eigendomsoverdracht zijn overgelegd waaruit blijkt dat het perceel van [eiser] ook de ondergrond van de "buitenplee" omvat ( .. ) [eiser] geen eigenaar daarvan is".

Betoogd wordt dat het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn uitspraak onvoldoende motiveert, door voor een rechtsgeldige eigendomsoverdracht van een op zich ondergeschikt gedeelte van een onroerende zaak de eis te stellen dat deze "uit enkel de akten blijkt". De exacte omvang van het overgedragen perceel wordt mede bepaald door de feitelijke situatie ten tijde van de overdracht, aldus het middel.

9. Dit onderdeel miskent dat ook een ondergeschikt gedeelte van een perceel slechts door levering kan worden verkregen indien ook dat gedeelte valt binnen de omschrijving die in de tot levering bestemde akte van de desbetreffende zaak is gegeven. Hieraan doet niet af dat de werkelijke partijbedoeling, al dan niet gebaseerd op de door het middel genoemde feitelijk situatie ten tijde van de overdracht, tussen partijen (in casu [eiser] en diens rechtsvoorganger) maatgevend is in die zin dat door de meest gerede partij rectificatie van de ingeschreven transportakte kan worden verlangd; van eigendomsverkrijging kan dan (na rectificatie) vanzelfsprekend alleen sprake zijn indien de vervreemder ook beschikkingsbevoegd was met betrekking tot het perceelsgedeelte dat niet viel binnen de oorspronkelijke omschrijving in de transportakte. Voor de beantwoording van de vraag op welk perceel de levering betrekking heeft prevaleert echter de in de transportakte opgenomen perceelsomschrijving. Het Hof heeft met zijn bestreden overweging dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting; nadere motivering behoefde 's Hofs oordeel evenmin.

Voor verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie moge ik hier wijzen op mijn conclusie voor Uw arrest van 22 april 1994 (rolnr. 15 294; (nog) niet gepubliceerd), waar ik verwees naar de arresten van Uw Raad van 6 juni 1986, NJ 1986, 750, 20 februari 1987, NJ 1987, 1002, m.n. WMK, 22 april 1988, NJ 1988, 754, en 2 december 1988, NJ 1989, 160, naar de M.v.A. II bij de Kadasterwet (stuk 17 496, nr. 23 sub 3, Parl. Gesch. Kadasterwet, p. 124 sub 3), naar mijn bijdrage aan de bundel Recht Vooruit, 150 jaar BW, p. 190, laatste alinea, doorlopend op p. 191, en naar Asser-Mijnssen-de Haan, 1992, nr. 387.

10. Het derde middelonderdeel komt op tegen de rechtsoverwegingen 5.6, 5.11 en 5.12, alle hiervoor onder nr. 4 geciteerd. Betoogd wordt dat het Hof - met name gezien de omstandigheid dat de buitenplee slechts bereikbaar was vanuit de tuin van [eiser] - een onjuiste uitleg geeft aan de begrippen "bezit" en "eenvoudig gedogen". Voorts miskent het Hof, aldus dit middelonderdeel, dat men geacht wordt te houden voor zichzelf zodat het Hof aan [verweerder] bewijs had moeten opdragen dat [eiser] de onroerende zaak voor hem hield dan wel dat sprake was van eenvoudig gedogen. Het Hof heeft althans, zo voert het middel aan, zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.

11. Het is mij niet geheel duidelijk wat dit middelonderdeel wil betogen. Uit de schriftelijke toelichting en de repliek meen ik te moeten opmaken dat het Hof wordt verweten te hebben miskend dat [eiser] gedurende dertig jaar het voor verkrijgende verjaring vereiste "bezit als eigenaar" van ondergrond en buitenplee heeft gehad.

12. De klacht dat het Hof ten onrechte niet tot de conclusie is gekomen dat [eiser] door verjaring de eigendom van de buitenplee heeft verkregen, faalt reeds omdat de Rechtbank - naar ik hiervoor al betoogde - concludeerde dat [verweerder] eigenaar van de buitenplee is en tegen dat oordeel geen grief werd gericht.

13. De klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat [eiser] niet door verjaring eigenaar kan zijn geworden van de ondergrond van de buitenplee faalt eveneens.

Het Hof overwoog immers dat uit de afgelegde getuigenverklaringen of anderszins onvoldoende is gebleken van feiten waaruit valt af te leiden dat [eiser] of diens rechtsvoorganger(s) bedoelde grond voor zichzelf in bezit had. Met deze overweging bedoelt het Hof kennelijk tot uitdrukking te brengen dat niet is gebleken van uiterlijke feiten waaruit de eigenaar van het omstreden stuk grond onder de gegeven omstandigheden niet anders kon afleiden dan dat [eiser] of diens rechtsvoorganger(s) pretendeerde eigenaar van die grond te zijn. Daarmee heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd met betrekking tot het "niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar" dat art. 1992 (oud) BW als vereiste voor (eigendoms) verkrijging door verjaring stelt. (Ik moge hier volstaan met een verwijzing naar Uw arrest van 15 januari 1993, NJ 1993, 178 en mijn conclusie voor dat arrest met verdere verwijzingen.) Voor het overige kan 's Hofs oordeel, gebaseerd als het is op een waardering van het voorliggende bewijs, in cassatie slechts beperkt worden getoetst; onbegrijpelijk acht ik 's Hofs oordeel niet met name nu de getuigenverklaringen betrekking hebben op de buitenplee en niet op de ondergrond. Daarbij wijs ik erop dat ook de in het middel genoemde omstandigheden welke zouden meebrengen dat [eiser] ondubbelzinnig en als eigenaar bezat, bijna alle betrekking hebben op de buitenplee en niet op de ondergrond. Terzijde merk ik nog op dat Rechtbank noch Hof hebben vastgesteld dat [eiser] en zijn rechtsvoorganger, zoals het middel stelt, mochten menen dat de ondergrond in de overdracht begrepen was.

Voorts miskent het middel dat de regel dat men vermoed wordt een goed voor zichzelf te houden, niet wegneemt dat degene die het bezit van een zaak claimt wel degelijk omstandigheden moet stellen - en zo nodig bewijzen - waaruit zijn feitelijke verhouding tot de zaak blijkt ingeval het bezit wordt betwist. Ik verwijs hier naar Asser-Beekhuis-Mijnssen, 1992, nr. 230.

14. Het derde middelonderdeel faalt eveneens voor zover het met zijn klacht dat het Hof een onjuiste uitleg geeft aan de begrippen "bezit" en "eenvoudig gedogen", beoogt op te komen tegen 's Hofs oordeel dat [eiser] evenmin door verjaring een zakelijk recht van gebruik op de buitenplee kan hebben verkregen omdat - kort gezegd - niet is gebleken dat de buitenplee anders dan krachtens eenvoudig gedogen werd gebruikt.

Voor zover het middel met bedoelde klacht opkomt tegen 's Hofs oordeel dat [eiser] geen erfdienstbaarheid met betrekking tot het gebruik van de buitenplee "als zodanig" kan doen gelden, faalt het middel reeds wegens gebrek aan belang. Het Hof heeft zijn oordeel immers niet alleen doen steunen op de grond dat niet is gebleken dat de closetinrichting anders dan krachtens eenvoudig gedogen als zodanig werd gebruikt, doch tevens op de zelfstandig dragende en door het middel niet bestreden grond dat deze erfdienstbaarheid in 1981 door non usus tenietgegaan zou zijn zo deze voorheen al had bestaan.

Voor zover het middel opkomt tegen 's Hofs oordeel dat [eiser] geen erfdienstbaarheid met betrekking tot het gebruik van de buitenplee als bergplaats en als hondehok kan doen gelden, faalt naar het mij voorkomt eveneens. Het Hof heeft met zijn overweging dat ook dit gebruik berust op een eenvoudig gedogen van de rechthebbende kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat niet is gebleken van uiterlijke feiten waaruit de eigenaar van de buitenplee, [verweerder], onder de gegeven omstandigheden niet anders kon afleiden dan dat [eiser] pretendeerde de closetinrichting krachtens een zakelijk recht als hondehok en bergplaats te gebruiken. Daarmee heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ik verwijs hier wederom naar Uw arrest van 15 januari 1993, NJ 1993, 178. Voor het overige kan 's Hofs oordeel, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Onbegrijpelijk acht ik 's Hofs oordeel niet, in aanmerking nemende dat het hier gaat om het gebruik als hondehok en als berging van een ruimte die was ingericht als closetinrichting; dat deze ruimte daarbij slechts bereikbaar was vanuit de tuin van [eiser] doet daar naar mijn oordeel niet aan af. Zoals ook reeds eerder betoogd, neemt de regel dat men vermoed wordt een goed voor zichzelf te houden, niet weg dat degene die bezit claimt wel degelijk omstandigheden moet stellen - en zo nodig bewijzen - waaruit zijn feitelijke verhouding tot de zaak blijkt ingeval het bezit wordt betwist.

Conclusie

Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?