Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 28.709
2 maart 1994
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 december 1991 betreffende de haar voor het jaar 1981 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1981 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 793.130, -- , met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over een bedrag van f 434.781, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 13 oktober 1993 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
3.1.1. Belanghebbende produceert haardblokken en verwerkt houtkrullen. In 1972 verkocht zij een tot haar vermogen behorende, in Nederland gelegen fabriekscomplex. Voor het verschil tussen de verkoopopbrengst en de boekwaarde werd een vervangingsreserve gevormd.
3.1.2. In 1974 besloot belanghebbende de productie in België te doen plaatsvinden. Zij kocht daartoe in België gelegen fabrieksgebouwen aan. De vervangingsreserve werd afgeboekt op de aanschaffingskosten.
3.1.3. De administratie van de aldus in België ontstane vaste inrichting luidt in Belgische franken.
3.1.4. Op de gebouwen en de machines, behorende tot de vaste inrichting, wordt afgeschreven op basis van de historische kostprijs in Belgische franken. De in de jaarstukken van de vaste inrichting opgenomen bedragen worden ten behoeve van de bepaling van het generale resultaat van de onderneming herrekend in Nederlandse guldens tegen de actuele koers van de Belgische frank. Hierdoor wordt, naast de andere koersverschillen, een valutawinst of valutaverlies op de vaste activa en passiva verantwoord.
3.1.5. In 1976 leende belanghebbende een bedrag van B.frs 27.000.000, welk bedrag omgerekend op basis van de toenmalige koers overeenkwam met f 1.826.300, --. Op de lening, waarvoor hypothecaire zekerheid is verleend, lost belanghebbende jaarlijks een tiende deel af.
3.1.6. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende als gevolg van de devaluatie van de Belgische frank op de vaste activa een valutaverlies geleden van f 231.553, -- , op de hypothecaire geldlening behaalde zij een valutawinst van f 41.740, -- en op de vlottende activa en passiva behaalde zij een valutawinst van f 71.368, --.
3.2. In geschil is
( a) of, en zo ja op welke wijze, het valutaresultaat op de vaste activa en de hypothecaire lening in de winst van belanghebbende moet worden verwerkt en
( b) of de overige valutawinst ten bedrage van f 71.368, -- als winst moet worden verantwoord, en zo ja, of die verantwoording uitsluitend de zogenoemde generale winst geldt dan wel tevens de winst van de vaste inrichting.
( c) of de vervangingsreserve in aanmerking genomen dient te worden zowel bij de berekening van de generale winst als bij de berekening van de winst van de vaste inrichting dan wel uitsluitend bij de berekening van de generale winst.
3.3. Het primaire onderdeel van het middel betoogt dat in de grondslag waarnaar belasting wordt geheven, dient te worden opgenomen het totale resultaat van de in Nederland uitgeoefende activiteiten en het in guldens uitgedrukte bedrag van de winst van de Belgische vaste inrichting, waarna een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting dient te worden verleend, welke gelijk is aan dat gedeelte van het belastingbedrag, dat tot dat belastingbedrag in dezelfde verhouding staat als het in de belastinggrondslag opgenomen bedrag van de winst van de Belgische vaste inrichting tot die grondslag.
Dit betoog moet worden verworpen. Het is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 24, paragraaf 1, onder 2°, 2e volzin van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel op 19 oktober 1970 (Tractatenblad 1970, no. 192) (hierna: het Verdrag), indien de winst uit de vaste inrichting in België in de Nederlandse generale winst wordt begrepen, hetgeen niet meebrengt dat van jaar tot jaar het in guldens uitgedrukte bedrag van de winst uit de Belgische vaste inrichting moet kunnen worden teruggevonden in de Nederlandse generale winst. Het primaire onderdeel van het middel faalt derhalve.
3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de valutawinst van f 71.368, -- behoort tot de (generale) winst van belanghebbende.
Het subsidiaire onderdeel I van het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, betoogt dat vreemde valuta en schulden in vreemde valuta, zolang die bedrijfsgebonden zijn, op grond van goed koopmansgebruik niet tot het nemen van valutawinst behoeven te leiden. Het standpunt van belanghebbende houdt derhalve in dat in het belastbare bedrag de valutawinst ad f 71.368, -- niet behoeft te worden opgenomen, zolang deze winst niet aan het vermogen van de vaste inrichting wordt onttrokken.
Dit standpunt is onjuist. Het stelsel zou immers erop neerkomen dat gerealiseerde winst niet tot uitdrukking wordt gebracht, maar voorshands onbelast voor herbelegging in de Belgische vaste inrichting wordt aangewend, hetgeen een in het kader van de jaarlijkse winstberekening niet toegelaten reservering zou inhouden. Nu het Hof - in cassatie niet bestreden - heeft vastgesteld, dat het bij dit bedrag gaat om winst die een gevolg is van het afwikkelen van vlottende activa en passiva waaronder te dezen moeten worden verstaan de lopende handelsvorderingen en schulden van de vaste inrichting, de in kas gehouden Belgische franken en de in het boekjaar voldane overige schulden in Belgische franken, laat goedkoopmansgebruik niet toe de aldus behaalde winst in 141365F 1992 het onderhavige jaar buiten beschouwing te laten. Het onderdeel faalt derhalve.
3.5. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat voor de winstberekening van de vaste inrichting uitsluitend de kosten van aanschaf in 1974 van de bedrijfshallen in België uitgangspunt zijn en dat, nu artikel 7, paragraaf 2, van het Verdrag uitgaat van de gedachte dat een vaste inrichting als zelfstandige onderneming moet worden benaderd, er geen reden is de afschrijving van deze bedrijfshallen in het kader van de winstberekening van de vaste inrichting te laten plaatsvinden op de kosten van aanschaf van die hallen na afboeking daarop van een vervangingsreserve die niet is ontstaan in en door de bedrijfsuitoefening van de vaste inrichting.
Het subsidiaire onderdeel II van het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, betoogt dat voor de berekening van het belastbare bedrag de maatstaven gelden zoals neergelegd in de Nederlandse belastingwetgeving, hetgeen met zich brengt dat de winst van de vaste inrichting moet worden bepaald alsof de vaste inrichting een zelfstandige onderneming is, en dat, nu deze "zelfstandige onderneming" gebruik heeft gemaakt van het afboeken van de vervangingsreserve op de aanschafprijs, ter bepaling van de winst van de vaste inrichting op het vervangende pand dient te worden afgeschreven op basis van de aanschafprijs nadat deze is verminderd met de vervangingsreserve.
Het onderdeel faalt. Bij de toepassing van artikel 7, paragraaf 2, van het Verdrag moet ter bepaling van de winst uit de Belgische vaste inrichting weliswaar het Nederlandse belastingrecht worden toegepast, doch daarbij dient uitsluitend acht te worden geslagen op de feiten en omstandigheden die de vaste inrichting betreffen. De vervangingsreserve is ontstaan in de uitoefening van de onderneming in Nederland, zodat deze niet de Belgische vaste inrichting betreft en uitsluitend bij de bepaling van de generale winst in aanmerking dient te worden genomen.
3.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel in geen van zijn onderdelen tot cassatie kan leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 2 maart 1994.