ECLI:NL:HR:1995:ZC1862

ECLI:NL:HR:1995:ZC1862, Hoge Raad, 27-10-1995, 8676

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-10-1995
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 8676
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1995:44
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 7 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

-

Uitspraak

27 oktober 1995

Eerste Kamer

Rek.nr. 8676 (R95/49HR)

Br:

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster] , wonende te [plaats] , VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr A.P. Kranenburg,

tegen

DE GEMEENTE [plaats] , gevestigd te [plaats] , VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 3 augustus 1994 ter griffie van het Kantongerecht te [plaats] ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar met verzoek te bepalen:

dat door verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - aan de Gemeente zal worden voldaan ter zake van gemaakte kosten van bijstand de totaalsom van f 6.205,64.

[verzoekster] is niet ter terechtzitting verschenen.

Bij beschikking van 29 september 1994 heeft de Kantonrechter het verzoek toegewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.

Bij beschikking van 3 maart 1995 heeft de Rechtbank [verzoekster] niet ontvankelijk verklaard in haar beroep.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) De Gemeente heeft op 3 augustus 1994 bij het Kantongerecht een verzoekschrift ingediend, waarbij zij de door haar aan [verzoekster] in de periode van 15 april 1990 tot en met 18 juli 1990 op de voet van de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers verleende bijstand heeft teruggevorderd, stellende dat [verzoekster] deze bijstand ten onrechte was verleend.

(ii) [verzoekster] woonde ten tijde van de indiening van het verzoekschrift op het daarin vermelde adres. Op 9 augustus 1994 is zij evenwel verhuisd, van welke verhuizing zij, naar zij ten processe heeft gesteld, de Gemeentelijke Sociale Dienst op de hoogte heeft gesteld. In het bevolkingsregister is de verhuizing op 31 augustus 1994 verwerkt.

(iii) Op 18 augustus 1994 heeft de griffie van het Kantongerecht een aangetekende brief met een copie van het verzoekschrift naar het oude adres van [verzoekster] gezonden, bij welke brief zij werd opgeroepen om hetzij te verschijnen ter terechtzitting van de Kantonrechter van 15 september 1994, hetzij een verweerschrift in te dienen. De griffie heeft bedoelde brief niet retour ontvangen.

(iv) [verzoekster] is niet ter terechtzitting van de Kantonrechter verschenen en heeft ook niet een verweerschrift ingediend. Daarop heeft de Kantonrechter bij beschikking van 29 september 1994 de vordering van de Gemeente toegewezen.

( v) Bij aangetekende brief van 13 oktober 1994 heeft de griffie van het Kantongerecht de beschikking naar het oude adres van [verzoekster] gezonden. Ook deze brief is door de griffie niet terugontvangen.

(vi) [verzoekster] heeft bij verzoekschrift van 17 november 1994 hoger beroep ingesteld. Zij heeft daarbij onder meer gesteld dat zij eerst op 16 november 1994 in het bezit was gekomen van de beide aangetekende brieven, waarop zij zich terstond tot een advocaat had gewend.

3.2 De Rechtbank heeft [verzoekster] niet onvankelijk in haar hoger beroep verklaard. De gronden voor deze beslissing kunnen als volgt worden samengevat:

(1) Het is van groot belang dat de griffier van een rechterlijk college op de hoogte wordt gehouden van de adreswijzigingen van partijen. Is een oproeping of kennisgeving verzonden naar het laatstelijk bij de griffie bekende adres van een partij, dan ligt de omstandigheid dat deze stukken de geadresseerde niet bereiken, in diens risicosfeer. Een verhuizing waarvan geen mededeling aan de griffier is gedaan, vormt dan ook geen deugdelijke grond voor het niet voldoen aan een oproeping of het niet tijdig reageren.

(2) Nu de griffie van het Kantongerecht de aangetekende stukken heeft verzonden naar het adres waar [verzoekster] op 18 augustus 1994 in het bevolkingsregister stond ingeschreven, ligt de omstandigheid dat de stukken haar niet hebben bereikt, in haar risicosfeer.

(3) Van enige verschoonbaarheid aan de zijde van [verzoekster] voor de termijnoverschrijding is geen sprake, nu niet is gebleken dat de aangetekende stukken door de posterijen als onbestelbaar zijn teruggezonden aan de Griffier van het Kantongerecht en de verzendingen geacht moeten worden [verzoekster] te hebben bereikt. Tegen deze beslissingen richt zich het middel.

3.3 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. X van de Wet van 15 april 1992, Stb. 193, tot wijziging van het verhaalsrecht in hoofdstuk IV A van de Algemene Bijstandswet de ontvankelijkheid van het onderhavige hoger beroep moet worden beoordeeld aan de hand van art. 66 ABW, zoals dit voordien gold, en in verband daarmee tevens aan de hand van art. 67 ABW, zoals dit voordien gold en in samenhang waarmee art. 66 moet worden toegepast.

3.4 Onderdeel 1 is terecht voorgesteld. De Rechtbank heeft miskend dat als verzending van een afschrift van de beschikking in de zin van art. 66 lid 1 in verbinding met art. 67 (oud) ABW niet kan gelden een verzending aan een adres waar [verzoekster] geen woonplaats (meer) had, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen (HR 24 april 1992, NJ 1992, 477).

Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft de Rechtbank echter niet vastgesteld. Zij heeft wèl, in het midden latende of de aangetekende stukken [verzoekster] hebben bereikt, overwogen dat, zo dat niet het geval mocht zijn geweest, zulks in de risicosfeer van [verzoekster] ligt. De Rechtbank heeft dit blijkens haar voorafgaande overwegingen kennelijk hierop gegrond dat [verzoekster] , anders dan de Rechtbank van partijen in een procedure blijkbaar verwacht, geen mededeling van haar verhuizing aan de Griffie van het Kantongerecht heeft gedaan en dat de Griffier van dat Gerecht op 18 augustus 1994 de aangetekende oproeping en op 13 oktober 1994 de beschikking heeft gezonden naar het adres waarop [verzoekster] blijkens een overgelegd uittreksel uit het bevolkingsregister op 18 augustus 1994 stond ingeschreven.

Dit een en ander kan echter niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin, al was het slechts omdat er voor [verzoekster] , zolang zij niet wist dat de Gemeente een procedure tegen haar aanhangig had gemaakt, geen enkele aanleiding bestond om de griffie van het Kantongerecht mededeling van haar verhuizing te doen.

3.5 De in onderdeel 2 vervatte motiveringsklacht is eveneens gegrond. De enkele omstandigheid dat niet is gebleken dat de aangetekende stukken door de posterijen als onbestelbaar aan de Griffier van het Kantongerecht zijn teruggezonden, rechtvaardigt niet de slotsom dat van enige verschoonbaarheid aan de zijde van [verzoekster] geen sprake is.

3.6 Tenslotte is ook onderdeel 3 gegrond. Dit onderdeel verwijt de Rechtbank terecht dat zij heeft verzuimd te onderzoeken of niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege diende te blijven omdat - in de bewoordingen van het in deze procedure voor overeenkomstige toepassing in aanmerking komende art. 6:11 in verbinding met art. 6:24 Awb - redelijkerwijs niet kon worden geoordeeld dat [verzoekster] te dezer zake in verzuim was geweest, zulks met name niet omdat zij, naar zij heeft gesteld, de Gemeente terstond van haar verhuizing mededeling had gedaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Breda van 3 maart 1995;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, in dier voege

a. a) dat, zo [verzoekster] geen toevoeging in deze zaak verkrijgt, die kosten tot op deze uitspraak aan haar zijde worden begroot op f 470, -- aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris;

b) dat, zo [verzoekster] wel een toevoeging in deze zaak verkrijgt, die kosten tot op deze uitspraak aan haar zijde worden begroot op f 3.470, -- , op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Korthals Altes, Nieuwenhuis en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 27 oktober 1995.

Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1996, 121 RvdW 1995, 216
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?