ECLI:NL:HR:1997:ZC2238

ECLI:NL:HR:1997:ZC2238, Hoge Raad, 03-01-1997, 16157

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-01-1997
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 16157
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1996:60
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 8 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Dochter op zoek naar identiteit biologische vader. Moeder komt processuele mededelingsplicht niet na. Goede procesorde. Bewijslast. Bewijslastverdeling. Stelplicht.

Uitspraak

3 januari 1997

Eerste Kamer

Nr. 16.157 (C95/310)

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr P.J. de Groen,

tegen

[de dochter] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr A. Stellingwerf.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de dochter - heeft bij exploit van 14 april 1992 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de moeder - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd (1) de moeder te veroordelen om aan de dochter de juiste voornaam of voornamen en de juiste schrijfwijze van de geslachtsnaam alsmede het laatst bekende correspondentie-adres en de nationaliteit van de natuurlijke vader van de dochter ter beschikking te stellen, zulks (2) onder verbeurte van een dwangsom van f 250, -- per dag en (3) met uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij voorraad.

De moeder heeft de vordering bestreden.

Bij tussenvonnis van 17 mei 1994 heeft de Rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen desgewenst beter aan te vullen. Vervolgens heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 15 november 1994 de vordering onder (1) toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen het eindvonnis heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 28 juli 1995 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De dochter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De dochter heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De dochter is onder de hoede van de Stichting Valkenhorst (vroeger Moederheil geheten en hierna te noemen: de Stichting) op [geboortedatum] 1945 uit de toen ongehuwde moeder geboren. Zij is erkend en gewettigd door de echtgenoot van de moeder, die evenwel niet de natuurlijke vader van de dochter is.

(ii) Stellende dat de moeder, ondanks verzoeken daartoe, weigert haar in te lichten omtrent de identiteit van haar natuurlijke vader, heeft de dochter in deze procedure gevorderd de moeder te veroordelen haar de naam en een aantal andere gegevens van haar natuurlijke vader te verschaffen.

3.2 In de eerste instantie heeft de moeder zich aanvankelijk tegen toewijzing van de vordering verzet met een beroep op haar recht op privacy. Nadat de Rechtbank partijen bij tussenvonnis in de gelegenheid had gesteld om hun stellingen aan te vullen in verband met het na het fourneren gewezen arrest van de Hoge Raad van 15 april 1994, NJ 1994, 608, heeft de dochter bij akte verklaard dat de Stichting haar inmiddels inzage had gegeven in haar dossier maar dat dit niet de door haar gewenste gegevens betreffende haar natuurlijke vader bleek te bevatten, en heeft de moeder primair het standpunt ingenomen dat de vordering moest worden afgewezen, omdat niet vaststond dat zij de identiteit van de verwekker kende en zij op grond van haar recht op privacy niet gehouden was om hetgeen haar daaromtrent mogelijkerwijs bekend was in de procedure mede te delen, en subsidiair aangeboden nadere informatie over de verwekker te verschaffen aan een derde die deze informatie geheim zou moeten houden voor de dochter. De Rechtbank heeft daarop de vordering toegewezen.

In hoger beroep heeft de moeder bij memorie van grieven, voor zover in cassatie van belang, de door haar in eerste aanleg aangevoerde feiten aangevuld. Zij stelde eind 1944 geheel onvrijwillig - zelfs ondanks tegenwerking - zwanger te zijn geworden van de dochter en het slachtoffer te zijn geweest van een misdrijf gepleegd door meerdere personen, van wie de identiteit haar niet bekend is; zij kent derhalve. ook de identiteit van de verwekker van de dochter niet. Zij stelde daarbij een en ander in eerste aanleg niet, althans niet met zoveel woorden, juist ook uit zorg voor de dochter, te hebben willen prijsgeven. Voorts stelde zij het weinige dat zij omtrent de verwekker weet aan de dochter bij brief van 6 december 1994 te hebben meegedeeld. Nu zij alle beschikbare informatie had verstrekt, diende volgens de moeder de vordering te worden afgewezen.

Het Hof heeft de grieven van de moeder verworpen.

3.3 Het middel komt in de onderdelen 2-1 - 2-IV (onderdeel 1 bevat geen klacht) met rechts- en motiveringsklachten op tegen de verwerping van het hiervoor in 3.2, tweede alinea, weergegeven verweer.

De gronden waarop het Hof deze verwerping heeft doen steunen, moeten als volgt worden verstaan. Het Hof is na een onderzoek aan de hand van de proceshouding van de moeder en van hetgeen door partijen over en weer aan gegevens is verschaft of gesteld, tot de slotsom gekomen dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is om de door de dochter gevraagde informatie te verschaffen. Het Hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De moeder heeft haar stellingen niet met bewijsstukken gestaafd, alhoewel het naar het oordeel van het Hof op de weg van de moeder had gelegen om, nu zij om haar moverende redenen dit verweer pas in hoger beroep had aangevoerd, bij die gelegenheid alle beschikbare bescheiden over te leggen waaruit de juistheid van de aangevoerde feiten zou kunnen worden afgeleid, althans gemotiveerd aan te geven waarom die bescheiden ontbreken. Zo had de moeder in hoger beroep reeds op voorhand een genoegzame reden dienen op te geven waarom zij van de beweerde verkrachting door voor haar onbekende daders geen aangifte heeft gedaan. Voorts heeft het Hof de door de moeder aangevoerde reden om niet eerder de informatie over de verkrachting te geven, nl. zorg van de moeder voor de dochter, ongeloofwaardig geoordeeld in het licht van de door de dochter overgelegde producties 3, 4a en 4b, alsmede de stelling van de moeder in de conclusie van antwoord, dat de moeder geen enkel contact meer met de dochter heeft of wil hebben. Ten slotte heeft het Hof in aanmerking genomen dat de moeder niet alleen geen bewijsstukken heeft overgelegd, maar ook geen bewijsaanbod heeft gedaan. Voor het ambtshalve verstrekken van een bewijsopdracht zag het Hof in het licht van dit alles geen aanleiding.

3.4 Aldus verstaan geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder heeft het Hof geen rechtsregel geschonden door ervan uit te gaan dat, nu de moeder om haar moverende redenen de bedoelde stellingen eerst in hoger beroep naar voren bracht, van haar verlangd mocht worden dat zij terstond alle beschikbare bescheiden had overgelegd of althans gemotiveerd had aangegeven waarom die bescheiden ontbreken. Het was aan het Hof als feitenrechter om te beoordelen wat in dit opzicht op grond van de eisen van een goede procesorde in het licht van de omstandigheden van het geval mocht worden verlangd van de moeder en welk gewicht aan het ontbreken van dergelijke stukken, c.q. een verklaring van het ontbreken daarvan diende te worden gehecht, mede in verband met de vraag of het Hof aan de moeder ambtshalve een bewijsopdracht zou verstrekken. In het licht van de gedingstukken zijn 's Hofs oordelen ook niet onbegrijpelijk. De tegen deze oordelen gerichte klachten in de onderdelen 2-I, 2-II, 2-III en 2-IV missen derhalve doel.

Voor zover onderdeel 2-I de klacht inhoudt dat het Hof ervan is uitgegaan dat slechts bescheiden als bewijsmiddel kunnen dienen, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft ook betekenis gehecht aan het feit dat de moeder geen bewijsaanbod heeft gedaan.

Anders dan in de onderdelen 2-I en 2-IV wordt betoogd, is het in het licht van de memorie van antwoord zeker niet onbegrijpelijk dat het Hof niet geoordeeld heeft dat de dochter de in die klachten bedoelde stellingen onvoldoende had be- streden.

Anders dan in onderdeel 2-I wordt betoogd, is het Hof voorts terecht ervan uitgegaan dat niet op de dochter de bewijslast rustte om de onjuistheid van de door de moeder aangevoerde stellingen te bewijzen. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan, dat de aard van de feiten waarvan de dochter kennis wil nemen, meebrengt dat de moeder in staat is daarover informatie te verschaffen, zoals zij in eerste aanleg ook niet gemotiveerd heeft betwist. Voorts heeft het Hof kennelijk de door de moeder in hoger beroep gegeven verklaring voor haar stelling dat zij de gevraagde informatie niet kan verschaffen, op voorhand onaannemelijk geacht. Met dit een en ander zou niet stroken de bewijslast dat de moeder wèl de gevraagde informatie kon verschaffen, op de dochter te leggen, die uiteraard van de betrokken feiten geen kennis draagt.

De klachten in onderdeel 2-III over het feit dat het Hof betekenis heeft gehecht aan stukken die de dochter bij memorie van antwoord had overgelegd, falen eveneens. Nu de moeder niet bij akte alsnog bewijsstukken in het geding heeft gebracht of een bewijsaanbod heeft gedaan, noch gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij pleidooi haar stellingen nader te doen uitwerken, diende het Hof de zaak op basis van de gefourneerde gedingstukken - waaronder mede de memorie van antwoord en de daarbij overgelegde stukken - te beoordelen. Voor zover deze klachten ervan uitgaan, dat het Hof heeft miskend dat het stellingen die de dochter voor het eerst bij memorie van antwoord naar voren heeft gebracht, niet als vaststaand kon aannemen op de grond dat de moeder deze niet had weersproken, missen zij feitelijke grondslag. Het Hof heeft zijn oordeel immers gegrond op een zelfstandige beoordeling ervan.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Neleman, Heemskerk en De Savornin Lohman, en in het openbaar uit- gesproken door de raadsheer Heemskerk op 3 januari 1997.

Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1997, 451 met annotatie van J. de Boer RvdW 1997, 13
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?