ECLI:NL:PHR:1996:60

ECLI:NL:PHR:1996:60, Parket bij de Hoge Raad, 08-11-1996, 16.157

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-11-1996
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 16.157
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1997:ZC2238

Samenvatting

Dochter op zoek naar identiteit biologische vader. Moeder komt processuele mededelingsplicht niet na. Goede procesorde. Bewijslast. Bewijslastverdeling. Stelplicht.

Uitspraak

Rolnummer 16.157

Zitting 8 november 1996

Mr Vranken

[de moeder]

tegen

[de dochter]

Edelhoogachtbaar College,

Het geschil in cassatie

1. In deze procedure tussen moeder [de moeder] en dochter [de dochter] is aan de orde de vraag of de moeder terecht door rechtbank en hof verplicht is de identiteit te onthullen van de natuurlijke vader van de dochter.

2. De dochter is onder de hoede van de Stichting Valkenhorst (vroeger Moederheil geheten) op [geboortedatum] 1945 uit de toen ongehuwde 19-jarige moeder geboren. Zij is later erkend en gewettigd door de echtgenoot van de moeder die niet haar natuurlijke vader is. Uit het dossier is af te leiden dat er tussen dochter en moeder/stiefvader veel is gebeurd, maar ik behoef dat hier niet nader uiteen te zetten.

3. De rechtbank heeft in een tussenvonnis partijen de gelegenheid geboden te reageren op het tijdens de procedure in eerste aanleg door de Hoge Raad gewezen arrest van 15 april 1994, NJ 1994, 608 (De R./Stichting Valkenhorst). Partijen hebben deze gelegenheid benut. In haar eindvonnis heeft de rechtbank, mede onder verwijzing naar genoemd arrest, de moeder bevolen de juiste voornaam of voornamen, de juiste schrijfwijze van de geslachtsnaam, het laatst bekende correspondentie-adres en de nationaliteit van de natuurlijke vader aan de dochter beschikbaar te stellen. De moeder heeft geappelleerd, maar het hof heeft de beslissing van de rechtbank bekrachtigd.

4. In cassatie vecht de moeder het arrest van het hof aan met een in vijf onderdelen uiteenvallend middel. Het beroep is tijdig ingesteld. De dochter heeft tot verwerping geconcludeerd en de zaak schriftelijk toegelicht. De moeder heeft van een schriftelijke toelichting afgezien.

Bespreking van het cassatiemiddel

5. Het cassatiemiddel is in zijn geheel gericht tegen r.o. 5.4 van het arrest van het hof. In deze overweging verwerpt het hof grief III van de moeder op gronden die, in ieder geval ten dele, zijn terug te voeren op de proceshouding van de moeder. Ik loop kort de stukken na.

6. In eerste aanleg heeft de moeder geweigerd de door de dochter gevraagde informatie te verstrekken, primair met een beroep op het volgens haar absolute recht op privacy dat haar in Grondwet en internationale verdragen wordt toegekend, subsidiair met de stelling dat indien haar recht op privacy niet absoluut is, het zwaarder weegt dan het recht op informatie van de dochter. Voorts heeft zij aangevoerd dat de vordering van de dochter niet voor toewijzing vatbaar is, omdat niet vaststaat dat zij (de moeder) daadwerkelijk over de informatie beschikt c.q. daarover redelijkerwijs zou kunnen beschikken (conclusie van antwoord, sub 17; conclusie van dupliek, sub 6).

7. In haar conclusie na tussenvonnis heeft zij dit laatste uitgewerkt. De situatie was op dat ogenblik deze dat de Stichting Valkenhorst naar aanleiding van het arrest van HR 15 april 1994, NJ 1994, 608 de dochter inzage had verleend in het dossier van de moeder, maar dat de dochter daarin te weinig gegevens had aangetroffen om de identiteit van de natuurlijke vader vast te stellen (het dossier Valkenhorst is later in

kopie bij de memorie van antwoord overgelegd). De moeder antwoordde daarop dat de gegevens zich naar de mening van de dochter "dus" in haar hoofd moesten bevinden. Daarop aansluitend heeft zij opgemerkt (conclusie na tussenvonnis, sub 6):

"Overigens staat dat laatste niet vast. Het is door de dochter gesteld. Door de moeder is het niet (beargumenteerd) betwist. Reden daarvoor is enkel en alleen gelegen in het feit, dat zij daarmede reeds gehoor zou geven aan de vordering van de dochter. Door te zeggen dat zij de gevraagde informatie heeft, en nog veel duidelijker door te zeggen dat zij de gevraagde informatie niet heeft, zou immers een deel van die informatie al prijsgegeven zijn."

8. Vervolgens heeft de moeder sub 7 van haar conclusie na tussenvonnis gereageerd op één van de argumenten die de Hoge Raad in het arrest van 15 april 1994 heeft gehanteerd voor zijn oordeel dat het recht van het kind op informatie prevaleert boven het recht van de moeder de informatie verborgen te houden, te weten dat de natuurlijke moeder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van het kind. De moeder zegt hierover:

"Een dergelijke overweging impliceert, dat de uitkomst van de belangenafweging wel eens een geheel andere zou kunnen zijn, indien zou komen vast te staan dat de moeder geen verantwoordelijkheid voor het bestaan van het kind draagt. Er zijn situaties denkbaar, waarvoor dat opgaat. Echter, de moeder kan en wil niet stellen in deze procedure, dat van een dergelijke situatie al dan niet sprake zou zijn. Daarmee zou zij immers (geheel of gedeeltelijk) aan de vordering van de dochter voldoen, en tegelijkertijd afbreuk doen aan haar eigen stelling dat zij recht heeft om in deze te zwijgen."

9. In appel bestrijdt de moeder het haar door de rechtbank gegeven bevel de identiteit van de natuurlijke vader te onthullen. Zij voert drie grieven aan. In de grieven I en II blijft zij geheel in het spoor van haar proceshouding in eerste aanleg. Grief III daarentegen is gebaseerd op de in appel opgeworpen nieuwe stelling dat zij eind 1944 geheel onvrijwillig - zelfs ondanks tegenwerking - zwanger is geworden van de dochter. Naar haar zeggen is zij het slachtoffer geworden van een misdrijf gepleegd door meerdere personen, wier identiteit zij kende noch kent.

10. Het hof heeft, als gezegd, grief III verworpen in r.o. 5.4 van zijn arrest. Het hof overweegt daarin, puntsgewijs samengevat:

a. nu de moeder om haar moverende redenen pas in appel aanvoert dat de dochter geboren is uit een verkrachting, had zij niet mogen volstaan met deze enkele mededeling, maar had zij de mededeling moeten adstrueren met bescheiden c.q. moeten toelichten waarom er geen bescheiden (kunnen) zijn;

b. de reden die de moeder heeft genoemd voor het pas in appel aanvoeren van de verkrachting - de zorg voor de dochter - trekt het hof in twijfel, zowel in het licht van de bij de memorie van antwoord overgelegde producties 3, 4a en 4b, als in het licht van de opmerking van de moeder in de conclusie van antwoord dat zij geen enkel contact meer met de dochter heeft of wil hebben;

c. aan de door de moeder in appel gestelde nieuwe feiten komt derhalve geen beslissende betekenis toe;

d. de moeder heeft geen bewijs van de door haar gestelde feiten aangeboden en het hof ziet geen aanleiding voor een ambtshalve bewijsopdracht;

e. tot slot overweegt het hof dat de thans bestaande informatie omtrent de identiteit van de natuurlijke vader ontoereikend is en dat de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is de door de dochter

gevraagde informatie te verschaffen. De dochter blijft dus een vitaal belang houden bij haar vordering.

11. Onderdeel I valt schakel a in de redenering van het hof aan. Het betoogt dat in het Nederlandse procesrecht een procespartij in het algemeen, althans in een geval als het onderhavige, niet gehouden is voor door haar gestelde feiten bewijs aan te dragen c.q. uiteen te zetten dat en waarom zij niet over bewijsmiddelen beschikt, voordat - en derhalve ongeacht of - de wederpartij de betreffende feiten betwist.

12. Op zichzelf is dit betoog juist, beter: nog steeds juist want de stemmen die erop aandringen dat dit moet veranderen en dat in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure de gestelde feiten met bescheiden, indien aanwezig, moeten worden gestaafd, nemen toe. Ik noem onder meer het rapport van de gemengde commissie van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inzake het versnelde regiem, 1995 en de experimenten die daarmee inmiddels zijn begonnen; het rapport van het projectteam Doelmatigheid Civiele procedures, 1996 en J.M. Barendrecht, Snel en goed recht doen, NJB 1994, p. 837 e.v.

13. Toch kan onderdeel I volgens mij niet slagen, omdat het aan de kern van de overweging van het hof voorbijgaat. Die kern is dat het hof heeft geoordeeld dat de moeder in haar stelplicht is tekortgeschoten. De omvang van de stelplicht is niet in harde regels te formuleren, maar hangt van verschillende factoren af. Van belang zijn onder meer de fase waarin de procedure zich bevindt, de reeds eerder door hetzij de partij zelf, hetzij de wederpartij in het geding gebrachte gegevens met daarbij de mate waarin de nieuwe feiten het tot dan gevoerde debat naar een ander spoor trekken, en de, mede in het licht hiervan, prima vista (on)aannemelijkheid ervan. Voorts zijn van belang de aard van de vordering, het tijdstip waarop de partij zelf op de hoogte is geraakt van de nieuwe feiten, dan wel andere omstandigheden of redenen die maken dat de partij niet (eerder) de nieuwe feiten heeft kunnen vermelden en toelichten, alsook de vraag binnen de sfeer van welke partij zich de meeste gegevens over de kwestie bevinden. Degene die niet of nauwelijks over gegevens beschikt, zal noodgedwongen weinig kunnen toelichten.

14. In het onderhavige geval heeft het hof van de moeder meer verlangd dan de enkele mededeling dat de dochter uit een verkrachting is geboren. Die mededeling spoort immers niet met de gegevens uit het dossier Valkenhorst waarin gesproken wordt over een militair van 22 jaar, genaamd Alfred. De moeder kende dat dossier ook (conclusie na tussenvonnis, sub 4). Waarom heeft ze toen een ander verhaal verteld dan nu? Voorts zou de moeder in een brief aan de dochter van 6 december 1994 het weinige dat ze over de identiteit van de natuurlijke vader weet, hebben verteld. De brief heeft ze evenwel niet overgelegd, zodat niet is na te gaan of het weinige in de brief evenveel is als het niets in de memorie van grieven. Ook de reden die de moeder heeft opgegeven voor het pas in appel vertellen van de verkrachting - de zorg voor de dochter -, trekt het hof op m.i. goede gronden in twijfel. Zie daarover bij onderdeel III.

15. Kortom, het hof heeft de enkele mededeling van de moeder in appel dat de dochter geboren is uit een misdrijf, gepleegd door meerdere personen, wier identiteit zij kende noch kent, in het licht van wat er in de procedure reeds was gesteld en gebleken, niet beslissend geoordeeld. Met de term beslissend reageert het hof op de moeder die in haar memorie van grieven, sub 3 de nieuwe feiten had aangemerkt als van beslissende betekenis. Juist door wat in de procedure reeds was gesteld en gebleken, had de moeder haar mededeling nader moeten toelichten. Mede van belang hierbij is dat de procedure al was gevorderd tot in appel: de stelplicht kan en zal zich vaak in appel verdichten.

16. Ik acht het oordeel van het hof niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor het overige is het, als grotendeels feitelijk van aard, in cassatie niet toetsbaar. Volledigheidshalve voeg ik aan het voorgaande nog toe dat de beslissing van het hof niet berust op de gedachte dat de partij die het in appel over een andere boeg wil gooien, de koerswijziging moet toelichten of rechtvaardigen. Dat zou onjuist zijn, omdat de devolutieve werking van appel een dergelijke wijziging immers in beginsel toestaat. Zie onder veel meer HR 19 januari 1996, RvdW 1996, 38. Evenmin berust de beslissing van het hof op de gedachte dat de door de moeder gestelde nieuwe feiten een zodanige breuk met haar standpunt in eerste aanleg betekenden, terwijl ze die feiten toen ook reeds kende, dat het in strijd was met de goede procesorde om met het naar voren brengen daarvan te hebben gewacht tot in appel. Zie o.m. HR 18 september 1993, NJ 1993, 48; HR 1 juli 1993, NJ 1993, 671; HR 29 september 1995, NJ 1996, 104 en HR 10 maart 1995, NJ 1996, 299.

17. Onderdeel II keert zich tegen een overweging waarin het hof voortbouwt op zijn in onderdeel I tevergeefs bestreden overweging. Bij zijn oordeel dat de moeder haar mededeling omtrent de verkrachting had moeten staven met bescheiden dan wel met een toelichting waarom die bescheiden ontbreken, heeft het hof bij wege van voorbeeld (zie het woordje "Zo") genoemd dat de moeder had kunnen aangeven waarom ze geen aangifte heeft gedaan van de verkrachting. Onderdeel II betoogt dat de moeder niet gesteld heeft dat ze geen aangifte heeft gedaan, zodat het hof "hoogstens" had kunnen overwegen dat de moeder geen schriftelijk bewijs van de verkrachting in het geding heeft gebracht. De klacht faalt wegens gebrek aan belang: ik kan niet inzien welk belang de moeder erbij heeft dat het hof had moeten overwegen zoals het onderdeel formuleert in plaats van zoals het gedaan heeft, omdat ook dan immers de moeder niet aan haar stelplicht zou hebben voldaan.

18. Onderdeel III betreft de schakels in de redenering van het hof, hiervoor onder 10 sub b en c weergegeven. Het hof heeft onderkend - terecht m.i. - dat er omstandigheden of redenen kunnen zijn waarom bepaalde informatie, hoewel al eerder bekend, toch pas in appel wordt aangevoerd. Ik kan mij voorstellen dat iemand, ook in een procedure, zeer terughoudend is met het melding maken van het feit dat zij of hij verkracht is. Gevoelens van verdriet, schaamte of vernedering kunnen sterker zijn. In het onderhavige geval evenwel heeft de moeder zich erop beroepen dat ze zo lang gewacht heeft "vanwege haar zorg voor de dochter". Die reden heeft het hof in twijfel getrokken op twee, hierboven onder 10 sub b vermelde gronden, die beide zelfstandig de beslissing kunnen dragen. Ik acht deze gronden voldoende en niet onbegrijpelijk of onjuist. Met name geldt dit voor de "schrille tegenstelling" die het hof constateert tussen enerzijds de door de moeder gestelde zorg voor de dochter en anderzijds haar mededeling in de conclusie van antwoord dat zij niets meer met de dochter te maken heeft of wil hebben. Ook zonder verwijzing naar het tussen partijen gevoerde kort geding over smaad (conclusie van repliek), deel ik deze constatering. De in onderdeel III verdedigde andere uitleg van de houding van de moeder is weliswaar niet onmogelijk, maar ligt zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, zeker niet als de meest waarschijnlijke voor de hand.

19. Met het voorgaande behoeft de klacht over de eerste door het hof gehanteerde grond geen bespreking meer. Overigens zou ook die klacht falen, alleen al omdat de moeder zelf in haar conclusie na tussenvonnis heeft gezegd dat zij het dossier Valkenhorst kende: de gewraakte producties 4a en 4b bevatten kopieën van dit dossier.

20. Nu zowel de klachten tegen schakel a als tegen schakel b in de redenering van het hof falen, faalt ook de klacht van onderdeel III tegen de daaruit door het hof getrokken conclusie (hierboven onder 10 sub c). Hetzelfde geldt voor het in onderdeel IV aangevallen oordeel van het hof, hierboven onder 10 sub e weergegeven. De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is de gevraagde informatie over de identiteit van de natuurlijke vader van de dochter te verschaffen. Gegeven de overwegingen in de voorgaande schakels, die in cassatie alle standhouden c.q. niet bestreden zijn, is dit oordeel van het hof onjuist noch onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel V mist zelfstandige betekenis.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Het andere argument is dat het voor een kind van vitaal belang is zijn afstamming te kennen. Hierover de dissertatie van Henning von Sethe, Die Durchsetzbarkeit des Rechts auf Kenntnis der eigenen Abstimmung aus der Sicht des Kindes, 1995. Het boek bevat voorts een schat aan rechtsvergelijkende gegegevens over het recht op informatie van kinderen omtrent hun afstamming. Het hof heeft de nieuwe feiten zelfs niet aannemelijk genoeg geoordeeld om de moeder tot het bewijs ervan toe te laten. Over het niet verstrekken van een bewijsopdracht wordt in cassatie niet geklaagd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?