ECLI:NL:HR:1997:ZC2459

ECLI:NL:HR:1997:ZC2459, Hoge Raad, 17-10-1997, 16411

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 17-10-1997
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16411
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1997:47
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 24 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Huwelijksvermogensrecht. Echtscheiding. Uitsluiting elke gemeenschap van goederen (‘koude uitsluiting’). Man heeft gelden verstrekt voor aankoop (geheel of mede) op naam vrouw te plaatsen woning. Is sprake van natuurlijke verbintenis (art. 6:3 lid 2, aanhef en onder b, BW)? Maatstaf.

Uitspraak

17 oktober 1997

Eerste Kamer

Nr. 16.411 (C96/229)

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr J. Groen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr A. C.M. J. Halbertsma-Wallemacq.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploit van 25 maart 1991 eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en - na wijziging van eis - gevorderd de man te veroordelen om aan de vrouw een bedrag van f 122.000, -- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 1990, althans vanaf 18 september 1991, althans vanaf de dag van de dagvaarding, en het te dezen gelegde conservatoire beslag van waarde te verklaren.

De man heeft deze vorderingen bestreden en heeft, voor zover thans nog van belang, zijnerzijds in reconventie gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van f 171.990, -- , te vermeerderen met de wettelijke rente over f 116.754, -- vanaf 4 augustus 1990 en over het overige vanaf 19 september 1991, waarna hij bij repliek in reconventie zijn eis nog heeft vermeerderd met een bedrag van f 6.758, -- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 1992.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 april 1993 in conventie de beslissing aangehouden en in reconventie een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 26 mei 1994 heeft de Rechtbank in conventie de vorderingen van de vrouw vrijwel geheel toegewezen, en heeft zij in reconventie de vorderingen van de man tot een bedrag van f 111.903,80 toegewezen, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

Tegen beide genoemde vonnissen, voor zover in reconventie gewezen, heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De man heeft dit hoger beroep bestreden en heeft zijnerzijds, zowel in conventie als in reconventie, tegen beide vonnissen incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 24 april 1996 heeft het Hof in het principaal en incidenteel appel voormeld tussenvonnis bekrachtigd en voorts het eindvonnis, voorzover daarbij in reconventie f 111.903, 80 met rente werd toegewezen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vrouw in reconventie veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van f 5.341,80 met de wettelijke rente over f 4.590, -- sinds 4 augustus 1990 en over f 751, 80 sinds 9 juli 1992, met bekrachtiging van het eindvonnis voor het overige.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het bezwaar met betrekking tot de in cassatie overgelegde producties

De door [de man] bij de schriftelijke toelichting overgelegde producties bevatten gegevens van feitelijke aard en kunnen, nu zij in de feitelijke instanties niet in het geding waren, voor de beoordeling van de zaak in cassatie geen rol spelen.

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun huwelijk is in januari 1990 door echtscheiding geëindigd. Begin 1989, toen de man de echtelijke woning verliet, is de vrouw daarin achtergebleven en zijn de drie kinderen van partijen, geboren in 1975, 1978 en 1980, aan de zorgen van de vrouw toevertrouwd.

(ii) Blijkens een akte van huwelijkse voorwaarden, gedateerd 6 december 1972, was tussen partijen elke gemeenschap van goederen uitgesloten en kwamen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding voor rekening van de man, met dien verstande dat, wanneer de vrouw in de bestrijding van die kosten vrijwillig bijdroeg, de man niet verplicht was dit haar te vergoeden.

(iii) De voormalige echtelijke woning, waar de vrouw met de kinderen woont, is haar eigendom. De vrouw heeft deze woning in 1981 als premiewoning aangekocht. De koopsom en de daarop verschuldigde kosten, in totaal een bedrag van f 116.754, -- belopend, zijn daarbij door de man voldaan. De vrouw heeft echter, tot zekerheid van een schuld van de man aan de Rabobank (welke schuld ook de financiering van de woning betrof), een hypotheek op die woning aan de bank verleend. Over de jaren 1982 tot en met 1988 is de voor de vrouw bestemde woning-subsidie - overheidsbijdrage voor de op naam van de vrouw staande premiewoning - op een rekening van het bedrijf van de man gestort en derhalve aan de man ten goede gekomen.

(iv) In het voorjaar van 1991 vernam de vrouw dat de Rabobank van plan was om in verband met de schuld van de man, ongeveer f 150.000, -- belopend, onder meer ten aanzien van die woning executiemaatregelen te treffen. Zij heeft toen door storting van een bedrag van f 122.000, -- op de rekening van de man bij de Rabobank bewerkstelligd dat voormelde hypotheek door de bank werd geroyeerd.

4.2 Nadat de vrouw in conventie een vordering tot terugbetaling van de in 4.1 onder (iv) genoemde f 122.000, -- tegen de man had ingesteld, welke vordering in de feitelijke instanties werd toegewezen en in cassatie niet meer aan de orde is, heeft in reconventie de man, voor zover thans nog van belang, gevorderd de aldaar onder (iii) genoemde f 116.754, -- aan hem terug te betalen. Naar aanleiding van een desbetreffend verweer van de vrouw heeft het Hof deze laatste vordering afgewezen omdat de man het daarmee gemoeide bedrag had betaald "ter voldoening aan een op hem rustende dringende verplichting van moraal en fatsoen en derhalve ter voldoening aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis". Hiertegen richt zich het middel.

4.3 Bij het bestreden oordeel is het Hof, onder verwijzing naar HR 15 september 1995, NJ 1996, 616, voor zover thans van belang ervan uitgegaan dat ook onder het hier van toepassing zijnde oude recht de objectieve maatstaf van art. 6:3 lid 2, aanhef en onder b, BW gelding had en sprak het dienovereenkomstig als zijn oordeel uit dat bij de toepassing van deze maatstaf aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet, geen beslissende betekenis toekomt. Hiervan uitgaande, heeft het voorts overeenkomstig genoemd arrest vooropgesteld dat in een geval als het onderhavige, waarin (bij een zogenaamde "koude uitsluiting") de man gelden heeft verstrekt voor de aankoop van een geheel of mede op naam van de vrouw te plaatsen, gemeenschappelijke of alleen voor de vrouw bestemde woning, in het algemeen sprake is van een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis zoals hier bedoeld, nu het voor de hand ligt dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in de woning kan blijven wonen en deze waarborg niet tot zijn recht zou komen, wanneer zij het gevaar loopt deze woning te moeten verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man of diens erfgenamen te kunnen voldoen.

Tegen deze achtergrond heeft het Hof voor zijn bestreden oordeel, meer concreet, drie omstandigheden doorslaggevend geacht. Allereerst heeft het in aanmerking genomen dat de vrouw, zoals niet of onvoldoende was weersproken, kort na de aanvang van het huwelijk een betaalde werkkring had opgegeven om in het bedrijf van de man te kunnen gaan werken, in welk bedrijf zij gedurende ongeveer veertien jaren circa 40 uren per week zonder beloning had gewerkt, en dat dus de vrouw ten behoeve van het bedrijf van de man de mogelijkheid had prijsgegeven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Verder heeft het Hof in aanmerking genomen dat niet was gebleken dat de vrouw over een zo aanzienlijk vermogen beschikte, dat zij na het einde van het huwelijk geheel of in belangrijke mate in haar levensonderhoud kon voorzien. Ten slotte heeft het Hof nog verwezen naar de hiervoor in 4.1 onder (iii) reeds vermelde omstandigheid dat de subsidie voor de onderhavige woning - die voor de vrouw was bestemd - aan de man ten goede was gekomen.

Aan een en ander heeft het Hof, kort gezegd, nog toegevoegd dat aan zijn oordeel niet afdoet dat de man ingevolge de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden gedurende het huwelijk de kosten van de gezamenlijke huishouding heeft gedragen en dat het bedrijf van de man de laatste jaren van het huwelijk niet winstgevend is gebleken, en evenmin dat de vrouw na het uiteengaan van partijen in februari 1989 per 1 augustus 1989 door werk in haar eigen onderhoud voorziet.

4.4 Aldus heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd en geen rechtsregel geschonden, ook niet de regel van art. 6:3 lid 2, aanhef en onder b, BW. Daarbij verdient nog opmerking dat voor de vraag of de man, door in 1981 de koopsom van de echtelijke woning te betalen en de kosten van de koop voor zijn rekening te nemen, aan een dringende morele verplichting voldeed, niet van belang is hoe thans, vele jaren later, partijen er financieel blijken voor te staan, en evenmin van belang is of het huwelijk van partijen door overlijden dan wel door een echtscheiding werd beëindigd.

Voor het overige is 's Hofs oordeel zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het in cassatie niet verder op juistheid kan worden getoetst. Het is geenszins onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.

Derhalve faalt het middel.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk en Jansen, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 17 oktober 1997.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1998, 692 met annotatie van W.M. Kleijn PW 1999, 21002 RvdW 1997, 199
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?