31 januari 1986
Eerste Kamer
Nr. 12.585
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest in de zaak van:
[eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: Mr. G.L. Maaldrink,
tegen
EQUITY AND LAW LEVENSVERZEKERINGEN, gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: Mr. C.J.J.C. van Nispen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - heeft bij exploot van 21 maart 1983 verweerster in cassatie - verder te noemen E & L - gedagvaard voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage en gevorderd E & L te bevelen om aan [eiser] te betalen de som van f. 100.000, -- vermeerderd met de wettelijke rente over bedoelde hoofdsom sedert 23 augustus 1982 tot aan de datum van algehele voldoening.
Nadat E & L tegen die vordering verweer had gevoerd heeft het Hof bij arrest van 19 april 1984 de vordering afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
E & L heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten. Bij die gelegenheid heeft de advocaat van E & L aan de Hoge Raad copieën overgelegd van twee aanvraagformulieren voor een levensverzekering en van een telex. De advocaat van [eiser] heeft incidenteel verzocht deze stukken niet tot de gedingstukken te rekenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman- Hartogh strekt tot afwijzing van het incidenteel verzoek en tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het incidenteel verzoek
Het incidentele verzoek dat ertoe strekt zich tegen het overleggen van voornoemde stukken te verzetten, moet worden afgewezen: niet betwist is dat deze stukken tijdig te voren aan de advocaat van [eiser] in afschrift waren toegezonden, terwijl de omvang van die stukken niet van dien aard is dat uit dien hoofde tegen overlegging bezwaar kan bestaan. Wel moet worden aangetekend dat, voor zover E & L zich op de inhoud van die stukken heeft beroepen ter bestrijding van het eerste middel van cassatie, dat beroep haar niet kan baten in verband met het bepaalde in art. 419 Rv.
4. Beoordeling van de middelen
4.1 Onderdeel 1 van middel I behelst geen klacht.
Onderdeel 2 gaat uit van een verkeerde lezing van rechtsoverweging 2: in die overweging duidt de uitdrukking "een levensverzekering ( ... )" geen aantal aan en heeft het Hof nog in het midden gelaten of er sprake is van één of meer verzekeringen.
Daargelaten dat derhalve ook onderdeel 3 uitgaat van een verkeerde lezing van die rechtsoverweging, faalt dat onderdeel omdat het zich richt tegen een aan het Hof voorbehouden feitelijke waardering (in rechtsoverweging 11) welke niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft: het Hof was niet gehouden op de door [eiser] aangevoerde argumenten nog afzonderlijk in te gaan.
Het bepaalde in de artt. 304 jo 255 K. behoefe het Hof niet tot een ander oordeel te leiden, zodat ook onderdeel 4 faalt.
4.2 Ook onderdeel 1 van middel II behelst geen klacht.
De klacht van onderdeel 2, eerste alinea, mist feitelijke grondslag: niet blijkt dat het Hof de daar bedoelde stelling uit het oog heeft verloren. Hetgeen in de tweede alinea van het onderdeel wordt betoogd mist eveneens feitelijke grondslag, aangezien het Hof een en ander niet heeft vastgesteld.
4.3 Middel III kan evenmin tot cassatie leiden, aangezien het zich richt tegen een overweging ten overvloede, welke de beslissing niet draagt.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van E & L tot op deze
uitspraak begroot op f. 456,30 aan verschotten en f. 1.700, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Mrs. Snijders, als voorzitter, Martens, De Groot, Hermans en Bloembergen, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 31 januari 1986.