24 juni 1997
Strafkamer
Nr. 5046 Herz.
LD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Anhem, militaire kamer, van 28 maart 1995, ingediend door mr. J. Versteegh, advocaat te Leiden, namens:
[aanvrager] , geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem, militaire kamer, van 7 oktober 1994 – de aanvrager ter zake van ‘’als militair weigeren iedere dienst, van welke soort ook, te verrichten’’ veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf.
1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 juni 1996 het tegen ’s Hofs arrest ingestelde cassatieberoep verworpen.
2. Grondslag van de aanvrage
De aanvrager voert als grondslag voor de aanvrage aan dat de Minister van Defensie bij beschikking van 14 mei 1996 de bezwaren van aanvrager heeft erkend als ernstige gewetensbezwaren in de zin van art. 2 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en dat, ware dit aan de Hoge Raad bekend geweest vóórdat gemeld arrest van 25 juni 1996 werd gewezen, de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou hebben in zijn vervolging.
3. De vordering van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft gevorderd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren en de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. Bij de aanvrage is een kopie overgelegd van de beschikking van de Minister van Defensie van 14 mei 1996 op een verzoekschrift van de aanvrager, houdende verzoek tot erkenning van zijn bezwaren tegen de vervulling van militaire dienst als ernstige gewetensbezwaren in de zin van art. 2 Wet gewetensbezwaren militaire dienst, waarbij de Minister, gelet op het bepaalde in art. 7, eerste lid, van die Wet, de bezwaren van aanvrager heeft erkend als ernstige gewetensbezwaren.
4.2. Indien de inhoud van deze beschikking aan de Hoge Raad bekend zou zijn geweest vóórdat gemeld arrest van 25 juni 1996 werd gewezen, zou de Hoge Raad ’s Hofs arrest hebben vernietigd, behalve voorzover daarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd, en ingevolge het bepaalde in art. 10 Wet gewetensbezwaren militaire dienst de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk hebben verklaard in zijn vervolging.
4.3. Hier is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is. Aangezien reeds thans vaststaat dat na verwijzing van de zaak ingevolge art. 465, tweede lid, Sv geen andere beslissing kan volgen dan de niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn vervolging, zal de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Verklaart de aanvrage gegrond;
Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem, militaire kamer, van 28 maart 1995, uitgesproken tegen aanvrager, behalve voorzover daarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd;
Verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 24 juni 1997.