Nr. 5046 Herz.
Parket, 1 april 1997
Mr Fokkens
Conclusie inzake:
[aanvrager]
Edelhoogachtbaar College,
1. Op 11 oktober 1993 heeft aanvrager zich schuldig gemaakt aan overtreding van art. 139 Wetboek van Militair Strafrecht; hij werd hiervoor in hoger beroep bij arrest van 28 maart 1995 veroordeeld door de militaire kamer van het Gerechtshof te Arnhem en het cassatieberoep daartegen werd op 25 juni 1996 door de Hoge Raad verworpen.
2. Thans wordt herziening aangevraagd op de grond dat de Minister van Defensie aanvrager op 14 mei 1996, dus voordat de Hoge Raad in deze zaak arrest heeft gewezen, heeft erkend als gewetensbezwaarde.
3. Het betreft hier een omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat het arrest waarvan herziening wordt verzocht, is gewezen. In het algemeen kunnen dergelijke omstandigheden niet tot herziening leiden, maar nu het hier gaat om een omstandigheid die, indien deze Uw Raad bekend was geweest, zou hebben geleid tot vernietiging van ’s hofs arrest en niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in zijn vervolging, is dat anders. Vgl. HR NJ 1987, 865 voor een vergelijkbaar geval. Zie ook de kritische kanttekeningen van Strijards, Revisie p. 151-152 bij dat arrest. Uw Raad kan de zaak, evenals in NJ 1987, 865 het geval was, zelf afdoen door de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging. Een nader onderzoek naar de feiten is immers niet nodig.
Gelet op het voorafgaande meen ik dat de aanvrage ontvankelijk is. Ik concludeer daarom dat Uw Raad de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal bevelen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,