19 mei 1998
Strafkamer
nr. 107.069
LD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 februari 1997 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 21 augustus 1996, waarbij de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef, en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot een geldboete van vijftienhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde op het bestaande hoger beroep. opnieuw te worden berecht en afgedaan.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.1. De aantekening mondeling vonnis van de Politierechter houdt, voorzover voor de beoordeling van de bestreden uitspraak van belang, het volgende in:
"Afstand van rechtsmiddelen door de verdachte "en door de officier van justitie".
4.2. Blijkens de desbetreffende akte heeft de verdachte op 21 augustus 1996 verklaard hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de Politierechter.
4.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 5 februari 1997 houdt onder meer het volgende in:
De procureur-generaal draagt de zaak voor en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar hoger beroep, nu zij ter terechtzitting in eerste aanleg afstand heeft gedaan van de bevoegdheid dit rechtsmiddel in te stellen.
De raadsman verzoekt verdachte ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep en voert daartoe het volgende aan:
In verband met een misverstand over het aan verdachte opgelegde rijverbod op 30 oktober 1995 heeft hij gecorrespondeerd met de officier van justitie te Haarlem. Uit deze correspondentie had de griffie van de rechtbank Haarlem kunnen en moeten begrijpen dat hij in deze zaak als raadsman van verdachte optrad. Dat hij zich niet uitdrukkelijk gesteld heeft als raadsman doet daaraan niets af. Bovendien kon hij zich ook niet als raadsman stellen, omdat hij het parketnummer waaronder de zaak stond ingeschreven, niet kende. De zittingsdatum is hem niet medegedeeld, noch door het Openbaar Ministerie, noch door de griffie. Zijn cliënte heeft hem daarover ook niet ingelicht.
Verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg -21 augustus 1996- zonder raadsman verschenen. Ter terechtzitting heeft verdachte afstand gedaan van de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, zonder echter te begrijpen wat dit betekende.
Zijn cliënte heeft niet om aanhouding van de behandeling van de zaak gevraagd, omdat zij van de gehele gang van zaken niets begreep.
Ter terechtzitting in eerste aanleg is niet alert gereageerd op de passieve houding van verdachte. Dit brengt mee, aldus de raadsman, dat hoewel verdachte in eerste aanleg afstand van het instellen van hoger beroep heeft gedaan, zij toch in haar appel ontvankelijk moet worden verklaard.
( ... )
Op een vraag van de raadsheer of verdachte tussen 5 juni 1996 en 21 augustus 1996 nog contact met haar raadsman heeft opgenomen, antwoordt verdachte dat zij geen contact met haar raadsman heeft gezocht, omdat zij ervan uitging dat aan de raadsman ook wel een bericht aangaande de zittingsdatum verzonden zou zijn."
4.4. Het Hof heeft hieromtrent als volgt overwogen en beslist :
Het dossier bevat geen informatie waaruit de griffie van de arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft kunnen en moeten begrijpen dat mr. J.P. van Vulpen zich als raadsman van verdachte in deze zaak had gesteld. Het hof is van oordeel dat de griffie uit het enkele feit dat mr. J.P. van Vulpen met de officier van justitie gecorrespondeerd heeft over het aan verdachte opgelegde rijverbod niet heeft moeten afleiden dat mr. J.P. van Vulpen zich in deze zaak als raadsman van verdachte had gesteld. Het lag op de weg van mr. J.P. van Vulpen om aan de griffie kenbaar te maken dat hij in deze als raadsman optrad.
Verdachte raakte op 5 juni 1996 bekend met het feit dat op 26 augustus 1996 haar strafzaak zou worden behandeld. Zij heeft derhalve ruim twee maanden de gelegenheid gehad haar raadsman van een en ander op de hoogte te stellen. Noch gesteld, noch gebleken is dat zij daartoe niet de mogelijkheid heeft gehad. Dit brengt mee dat de gevolgen van het feit dat zij dit heeft nagelaten voor haar rekening en risico dienen te komen, dus ook het gevolg dat haar strafzaak behandeld is terwijl zij niet bijgestaan werd door haar raadsman en dat zij afstand gedaan heeft van het recht hoger beroep in te stellen terwijl zij niet begreep wat dat betekende.
Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrekking dat verdachte in het door haar ingestelde hoger beroep niet kan worden ontvangen.
Het hof verklaart de appellant niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.
4.5. Te dezen heeft het Hof vastgesteld, van welke vaststelling in cassatie dient te worden uitgegaan, dat de verdachte afstand heeft gedaan van het recht hoger beroep in te stellen "terwijl zij niet begreep wat dat betekende".
4.6. Met zijn hiervoor onder 4.4 weergegeven overwegingen heeft het Hof zijn in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel, dat de gedane afstand kan gelden als afstand in de zin van art. 381, eerste lid, Sv, doen steunen op gronden welke dat oordeel niet kunnen dragen. Immers, in aanmerking genomen 's Hofs hierboven weergegeven vaststelling, waarin verdachtes dwaling omtrent de betekenis van haar verklaring houdende afstand van beroep besloten ligt, was het Hof genoodzaakt een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of deze dwaling gelet op de omstandigheden van het geval verschoonbaar was, waarbij opmerking verdient dat, in dit licht beschouwd de enkele door het Hof als redengevend aangemerkte omstandigheid dat de verdachte zich niet ter zitting door een raadsman heeft doen bijstaan, niet beslissend kan zijn.
5. Slotsom
Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.
6 Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te
's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Aaftink en Orie in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 19 mei 1998.