Nr. 107.069
Zitting 17 maart 1998
mr Keijzer
conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar college,
1. Bij arrest van 5 februari 1997 heeft het Gerechtshof te Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 21 augustus 1996, waarbij zij ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot een geldboete van vijftienhonderd gulden, subsidiair dertig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Middelen van cassatie zijn door of namens de verdachte niet voorgesteld.
2. Ambtshalve vestig ik de aandacht op 's Hofs motivering van zijn oordeel dat de verdachte in haar hoger beroep niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.
3. De verdachte is in eerste aanleg op tegenspraak veroordeeld. Zij werd ter terechtzitting van de Politierechter niet door een raadsman bijgestaan. Voorts vermeldt het proces-verbaal van de terechtzitting dat de verdachte en de Officier van Justitie afstand van rechtsmiddelen hebben gedaan.
4. Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte dezelfde dag nog hoger beroep ingesteld. Omtrent de vraag of de verdachte in het door haar ingestelde hoger beroep kon worden ontvangen houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep onder meer in:
"De raadsman verzoekt verdachte ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep en voert daartoe het volgende aan:
In verband met een misverstand over het aan de verdachte opgelegde rijverbod op 30 oktober 1995 heeft hij gecorrespondeerd met de officier van justitie te Haarlem. Uit deze correspondentie had de griffie van de rechtbank Haarlem kunnen en moeten begrijpen dat hij in deze zaak als raadsman van verdachte optrad. Dat hij zich niet uitdrukkelijk gesteld heeft als raadsman doet daaraan niets af. Bovendien kon hij zich ook niet als raadsman stellen, omdat hij het parketnummer waaronder de zaak stond ingeschreven, niet kende. De zittingsdatum is hem niet medegedeeld, noch door het Openbaar Ministerie, noch door de griffie. Zijn cliënte heeft hem daarover ook niet ingelicht.
Verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg - 21 augustus 1996 - zonder raadsman verschenen. Ter terechtzitting heeft verdachte afstand gedaan van de mogelijkheid hoger beroep in te stellen, zonder echter te begrijpen wat dit betekende.
Zijn cliënte heeft niet om aanhouding van de behandeling van de zaak gevraagd, omdat zij van de hele gang van zaken niets begreep.
Ter terechtzitting in eerste aanleg is niet alert gereageerd op de passieve houding van verdachte. Dit brengt mee, aldus de raadsman, dat hoewel verdachte in eerste aanleg afstand van het instellen van hoger beroep heeft gedaan, zij toch in haar appel ontvankelijk moet worden verklaard.
( . . . )
Op een vraag van de raadsheer of verdachte tussen 5 juni 1996 en 21 augustus 1996 nog contact met haar raadsman heeft opgenomen, antwoordt verdachte dat zij geen contact met haar raadsman heeft gezocht, omdat zij ervan uitging dat aan de raadsman ook wel een bericht aangaande de zittingsdatum verzonden zou zijn".
Het Hof heeft vervolgens overwogen:
"Het dossier bevat geen informatie waaruit de griffie van de arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft kunnen en moeten begrijpen dat mr J.P. van Vulpen zich als raadsman van verdachte in deze zaak had gesteld. Het hof is van oordeel dat de griffie uit het enkele feit dat mr J.P. van Vulpen met de officier van justitie gecorrespondeerd heeft over het aan de verdachte opgelegde rijverbod niet heeft moeten afleiden dat mr J.P. van Vulpen zich in deze zaak als raadsman van verdachte had gesteld. Het lag op de weg van mr J.P. van Vulpen om aan de griffie kenbaar te maken dat hij in deze als raadsman optrad.
Verdachte raakte op 5 juni 1995 bekend met het feit dat op 26 augustus 1996 haar strafzaak zou worden behandeld. Zij heeft derhalve ruim twee maanden de gelegenheid gehad haar raadsman van een en ander op de hoogte te stellen. Noch gesteld, noch gebleken is dat zij daartoe niet de mogelijkheid heeft gehad. Dit brengt mee dat de gevolgen van het feit dat zij dit heeft nagelaten voor haar rekening en risico dienen te komen, dus ook het gevolg dat haar strafzaak behandeld is terwijl zij niet bijgestaan werd door haar raadsman en dat zij afstand gedaan heeft van het recht hoger beroep in te stellen terwijl zij niet begreep wat dat betekende".
5. In deze overwegingen van het Hof ligt als zijn vaststelling en oordelen besloten:
(a) dat de verdachte, toen zij verklaarde afstand te doen van het recht om hoger beroep in te stellen, de betekenis van die verklaring niet heeft begrepen;
(b) dat haar dwaling dienaangaande niet verschoonbaar was, en wel omdat zij zich ter terechtzitting niet heeft voorzien van de bijstand van een raadsman; en
(c) dat de verdachte daarom aan haar verklaring moet worden gehouden.
6. Van de onder (a) bedoelde vaststelling zal in cassatie moeten worden uitgegaan.
7. De begrijpelijkheid van het onder (b) bedoelde oordeel moet in twijfel worden getrokken. Tot het inroepen van de bijstand van een raadsman is een verdachte immers niet verplicht, en het nalaten daarvan kan een verdachte daarom mijns inziens niet worden tegengeworpen; in het onderhavige verband te minder aangezien de verdachte ter terechtzitting alleen zelf afstand van een rechtsmiddel kan doen, niet ook zijn raadsman (HR 23 november 1976, NJ 1977, 535, m.nt. ALM). De op de rechter rustende plicht om na te gaan of een verdachte die ter terechtzitting afstand doet van de bevoegdheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel zulks doet in het besef van de betekenis van die rechtshandeling (zie daaromtrent Melai c.s., aant. 5 op art. 381 Sv) weegt daarentegen mijns inziens juist zwaarder indien die verdachte niet beschikt over de bijstand van een raadsman. Naar ik meen kunnen de door het Hof aangevoerde argumenten zijn onder (b) bedoelde oordeel dan ook niet dragen.
8. Het spreekt vanzelf dat een beroep op eigen onbegrip niet lichtvaardig moet kunnen worden gedaan; vgl. HR 9 april 1957, NJ 1957, 454 m.nt. WP; Uw Raad oordeelde toen dat het enkele verweer de betekenis van de afstand niet begrepen te hebben die afstand niet ongedaan maakte en het Hof niet noopte tot nadere motivering. De rechter zal eerst gehouden zijn op een zodanig verweer in te gaan - zo neem ik aan - indien tevens wordt aangevoerd waaruit zijn onbegrip voortvloeide, bijvoorbeeld uit een verkeerde "Rechtsmitttelbelehrung". In de onderhavige zaak is op het verweer echter wel ingegaan en heeft het Hof het aangevoerde onbegrip vastgesteld.
9. De vraag dringt zich daarom op of in een geval als het onderhavige - het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte de betekenis van haar afstandsverklaring niet heeft begrepen - de vraag of die dwaling al dan niet verschoonbaar was wel terzake doet. Moet niet reeds op grond van die enkele vaststelling worden geoordeeld dat die verklaring niet heeft geleid tot een geldige afstand van het openstaande rechtsmiddel? Men vergelijke HR 20 september 1982, NJ 1983, 220, in welk geval het onbegrip van de verdachte aldus werd gehonoreerd.
Ter ondersteuning van deze gedachte kan worden gewezen op art. 3:33 BW, waarbij moet worden opgemerkt dat de afstand van een rechtsmiddel een eenzijdige rechtshandeling is, zodat zich niet het geval kan voordoen dat redelijkheid en billijkheid er vanwege een aangegane tegenverplichting toe nopen de betrokkene aan zijn weliswaar onbedoelde rechtshandeling te houden; zie art. 3:34, tweede lid, BW.
10. De opvatting van het Hof dat slechts een verschoonbare dwaling de afstand van hoger beroep krachteloos maakt lijkt op het eerste gezicht steun te vinden in die van de toenmalige Advocaat-Generaal Remmelink, die ooit heeft verklaard als grond voor ongeldigheid van de afstandsverklaring alleen error invinciblis in aanmerking te willen laten komen (COM voor HR 24 juni 1975, NJ 1975, 439 m.nt. ThWvV). In dat geval ging het er echter niet om dat de verdachte de strekking van zijn verklaring niet had begrepen, maar werd geoordeeld dat het enkele feit dat de verdachte niet had begrepen waarvoor hij was veroordeeld niet meebracht dat de door hem bij akte gedane afstand niet geldig was. De dwaling waarvan toen sprake was betrof dus de omstandigheden op grond waarvan werd besloten tot afstand van het openstaande rechtsmiddel, niet - zoals in causu - de betekenis van die rechtshandeling zelf.
11. De vraag in hoeverre dwaling een Rechtsmittelverzicht krachteloos maakt heeft ook de Duitse rechter beziggehouden. Omtrent de Duitse rechtspraak dienaangaande schrijft Gollwitzer in Löwe-Rosenberg (24e druk, 1988, aant. 45 op § 302 StPO) :
"Das grundsätzliche Festhalten am Prinzip der Unwiderruflichkeit und Unanfechtbarkeit von Rechtsmittelrücknahme und Verzicht hat in der Rechtsprechung zu Schwierigkeiten geführt, wenn es unbillig erschien, den Erklärenden, insbesondere den Beschuldigten, an voreilige, oder durch Irrtum, Täuschung oder Drohung beeinflußte Erklärungen zu binden. Die in den Einzelheiten keineswegs einheitliche Rechtsprechung hat deshalb in dem Bestreben, der materiellen Gerechtigkeit den Vorrang vor formalen Rechtssicherheitsgesichtspunkten einzuräumen, nach Àuswegen gesucht. ( ... ) Als MaBstab wird dabei auf das Gebot einer rechtsstaatlichen (fairen) Verfahrensgestaltung und die gerichtliche Fürsorgepflicht zurückgegriffen. Auf diesem Weg wird auch Irrtümern über Inhalt oder Tragweite eines Urteilsspruchs, sowie Erklärungsirrtümern abgeholfen."
In een arrest van het Oberlandesgericht Hamm (NJW 1976, blz. 1952) valt onder meer te lezen:
"Zwar kann auch nach der Auffassung des Senats ein Rechtsmittelverzicht nicht widerrufen, wegen Irrtums angefochten oder sonst zurückgenommen werden, wenn lediglich ein einfacher Motivirirrtum zu ihm geführt hatte ( ... ). Willensmangel im Bereich der Rechtsmittelerklärungen sind aber auch nicht grundsätzlich ausnahmslos unbeachtlich."
12. Ook voor het Nederlandse strafprocesrecht zou ik op het onderhavige punt een met afweging van billijkheid en rechtszekerheid genuanceerd standpunt willen aanbevelen, volgens hetwelk niet iedere dwaling omtrent de betekenis van de afstand die afstand krachteloos maakt doch slechts een zodanige welke verschoonbaar is, bijvoorbeeld wegens kennelijk verminderde begaafdheid van de verdachte of wegens tekortschieten aan de zijde van de overheid, in het bijzonder van de rechter.
13. Op grond van het voorgaande meen ik dat het Hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting omtrent het begrip afstand in art. 381, eerste lid, Sv. Wel meen ik, zoals eerder uiteengezet, dat het Hof zijn oordeel dat de dwaling van de verdachte niet verschoonbaar was op ontoereikende wijze heeft gemotiveerd. Om die reden concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Voor de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,