ECLI:NL:HR:1999:ZD1575

ECLI:NL:HR:1999:ZD1575, Hoge Raad, 27-05-1999, 3999

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-05-1999
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 3999
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1999:ZD1575
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 12 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Verzoekschrift ex art. 526.1 Sv tot regeling van rechtsgebied. Van ‘dezelfde zaak’ a.b.i. art. 525.1.1 Sv is geen sprake als het gaat om de strafvervolgingen van mededaders van hetzelfde feit.

Uitspraak

27 mei 1999

Strafkamer

nr. 3999 Besch.

PO

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 maart 1999 op een verzoek als bedoeld in artikel 526 van het Wetboek van Strafvordering ingediend door :

[verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats] .

1. De bestreden beschikking

1.1. Het Hof heeft ongegrond verklaard het verzoek tot regeling van rechtsgebied.

1.2. De bestreden beschikking is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep, dat is gericht tegen de ongegrondverklaring van het inleidende verzoek, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van een na de datum waarop de conclusie van het Openbaar Ministerie is genomen nog ingekomen brief van de raadsman van 25 mei 1999.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan :

( i) de verdachte is ter zake van een zestal misdrijven gedagvaard tegen de terechtzitting van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 22 maart 1999;

(ii) namens de verdachte is bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage een verzoekschrift als bedoeld in art. 526, eerste lid, Sv ingediend tot regeling van rechtsgebied. Daarin is aangevoerd dat er sprake is van een geschil van rechtsmacht op een tweetal gronden, te weten dat

a. a) in het arrondissement Rotterdam tegen hem een vervolging is aangevangen ("al dan niet als NN-verdachte"), namelijk een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd en ingesteld ter zake van (een of meer van) bedoelde misdrijven, welke vervolging nog niet ten einde is gekomen, en

b) dat tegen mededaders met betrekking tot vijf van die misdrijven in het arrondissement Rotterdam een vervolging is aangevangen, welke nog niet is beëindigd;

(iii) het Hof heeft het verzoekschrift ongegrond verklaard en tevens het subsidiaire verzoek van de raadsman om de betrokken zaaksofficier (en) van het arrondissementsparket te Rotterdam als getuige te horen afgewezen.

3.2.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft afgewezen het subsidiaire verzoek tot het horen van de desbetreffende Officier van Justitie te Rotterdam omtrent een vervolging van de verdachte in dat arrondissement, althans dat het Hof die afwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat uit een ambtsbericht van de Hoofdofficier van Justitie te Rotterdam van 15 maart 1999 volgt dat tegen de verdachte door het arrondissementsparket te Rotterdam geen vervolging is ingesteld of ingesteld geweest, en dat ook de veronderstelling van de verdachte dat een bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam tegen NN lopend gerechtelijk vooronderzoek in feite op hem betrekking heeft, voldoende weerlegd is door de inhoud van die brief; op grond daarvan heeft het Hof het horen van de desbetreffende Officier van Justitie als getuige niet noodzakelijk geacht. 's Hofs eerstbedoelde oordeel is feitelijk en in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk, zodat het middel daartegen tevergeefs opkomt. Tot een nadere motivering van zijn afwijzing van het verzoek de Officier van Justitie als getuige te horen was het Hof voorts niet gehouden.

3.2.3. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

3.3.1. Het tweede middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het Hof ten onrechte heeft afgewezen het subsidiaire verzoek tot het horen van de desbetreffende Officier van Justitie te Rotterdam omtrent de vervolging van mededaders van de verdachte in dat arrondissement, althans dat het Hof die afwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd. Verder komt het middel op tegen 's Hofs oordeel dat van een gelijktijdige vervolging van een mededader van de verdachte in het arrondissement Rotterdam geen sprake meer kan zijn indien een zodanige vervolging heeft geleid tot een einduitspraak van de Rechtbank te Rotterdam, ook al zou die einduitspraak nog niet onherroepelijk zijn.

3.3.2. Art. 525, eerste lid aanhef en onder 1º, Sv luidt als volgt :

"Een geschil over rechtsmacht is aanwezig: "1º. wanneer twee of meer rechters zich dezelfde "zaak gelijktijdig hebben aangetrokken".

3.3.3. Het Hof is ervan uitgegaan dat van een geschil over rechtsmacht in de zin van die bepaling ook sprake is indien verscheidene rechters gelijktijdig de verschillende deelnemers aan hetzelfde strafbare feit berechten. In 's Hofs gedachtegang is derhalve ook in dat geval sprake van "dezelfde zaak". In de eerste plaats zal moeten worden onderzocht of die opvatting juist is, waarbij ook art. 6, tweede lid, Sv in de beschouwingen moet worden betrokken.

3.3.4. 's Hofs opvatting impliceert dat het begrip "zaak" in art. 525 Sv anders, ruimer, zou moeten worden uitgelegd dan elders in het Wetboek van Strafvordering het geval is. In het algemeen - zoals bijvoorbeeld in de art 36, 89 en 246 Sv - zal immers het begrip "zaak" zien op een strafvervolging van een persoon ter zake van een of meer strafbare feiten. Zo heeft, indien de deelnemers aan een strafbaar feit afzonderlijk zijn gedagvaard doch de rechter ter terechtzitting ingevolge art. 285, eerste lid, Sv de voeging beveelt, dat bevel tot gevolg dat de straf - vervolgingen van de verschillende deelnemers aan dat feit ter zake van hun aandeel daarin, dat wil zeggen de verschillende zaken, worden gevoegd. Weliswaar vindt de behandeling van hetgeen aan die deelnemers is tenlastegelegd dan plaats op dezelfde terechtzitting en wordt bij één beslissing uitspraak gedaan, maar dat neemt niet weg dat die behandeling en beslissing betrekking hebben op meer zaken.

3.3.5. De vraag rijst of niettemin doel en strekking van art. 525, eerste lid onder 1º, Sv een bijzondere, ruimere, uitleg van het begrip zaak meebrengen of dat zulks noodzakelijkerwijze voortvloeit uit art. 6, tweede lid, Sv.

3.3.6. Art. 525, eerste lid onder 1º, Sv beoogt om tegenstrijdige uitspraken en dubbele bestraffing van de verdachte te voorkomen. Het moet in de eerste plaats worden bezien in het licht van art. 68 Sr, dat voorzover hier van belang bepaalt dat niemand andermaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de Nederlandse rechter is beslist; indien die situatie zich voordoet moet de Officier van Justitie in zijn tweede vervolging van de betrokkene niet-ontvankelijk worden verklaard. De regeling waarvan art. 525, eerste lid onder 1º, Sv deel uitmaakt strekt ertoe om in een zo vroeg mogelijk stadium van de verschillende vervolgingen tegen een en dezelfde verdachte tegen te gaan dat zich eerlang de situatie voordoet als bedoeld in art. 68, eerste lid, Sr. Die regeling is in het belang van zowel de verdachte als van een doelmatige rechtspleging. De rechter die over het "geschil over rechtsmacht" beslist, onttrekt de zaak aan een van de gerechten, terwijl de vervolging voor het andere gerecht kan worden voortgezet. Die beslissing wordt ingevolge art. 527, derde lid, "aan de rechters tussen wie het geschil bestaat" onverwijld medegedeeld.

3.3.7. Deze ratio ontbreekt in het in deze zaak gestelde geval dat mededaders gelijktijdig worden vervolgd voor verschillende gerechten, terwijl in die situatie ook niet, zoals hieronder nader zal worden uiteengezet, een beslissing kan worden gegeven met het effect als hiervoor onder 3.3.6 bedoeld.

3.3.8. Voorzover in het onderhavige geval van belang volgt uit art. 6, tweede lid, Sv dat indien in geval van een gelijktijdige vervolging mededaders niet voor hetzelfde gerecht worden vervolgd, uitsluitend bevoegd blijft de rechter bij wie de vervolging tegen een hunner het eerst is aangevangen. De wetgever heeft daarmee beoogd in geval van een gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat de zaken tegen mededaders door dezelfde rechter worden behandeld. Dat houdt in dat indien een situatie in strijd met die bepaling is ontstaan, de rechter voor wie de mededader terechtstaat wiens vervolging later is aangevangen, zich onbevoegd moet verklaren. Daarna is het aan de officier van justitie om de zaak tegen die mededader alsnog aan te brengen bij het ingevolge art. 6, tweede lid, Sv bevoegde gerecht.

Indien ervan wordt uitgegaan dat in een situatie als waarvan hiervoor in 3.3.7 sprake is een verzoek als bedoeld in art. 526 Sv kan worden ingediend en de bevoegde rechter die over het geschil van rechtsmacht beslist, - hier: het Hof - de zaak zou kunnen onttrekken aan het gerecht bij hetwelk de zaak ten onrechte is aangebracht, zou het gerechtshof daarmee moeten volstaan en zou het ook dan aan de officier van justitie zijn om de zaak alsnog bij het bevoegde gerecht aanhangig te maken. In zoverre zou die mogelijkheid niets wezenlijks toevoegen - voor wat betreft de bescherming van de belangen van de verdachte of die van een doelmatige rechtspleging - aan hetgeen hierboven is gesteld omtrent de verplichting van de behandelend rechter om zich in een voorkomend geval onbevoegd te verklaren.

3.3.9. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat doel en strekking van de regeling waarvan art. 525, aanhef

en onder 1º, Sv deel uitmaakt, niet meebrengen dat aan het begrip "zaak" in die bepaling een betekenis zou moeten worden toegekend die afwijkt van die welke dat begrip in andere bepalingen van dat Wetboek heeft. Daaruit volgt dat van "dezelfde zaak" in de zin van die bepaling geen sprake is indien het gaat om de strafvervolgingen van mededaders van hetzelfde feit. Reeds omdat het inleidende verzoek voorzover dat is gebaseerd op de hiervoor onder 3.1 sub (ii) onder b weergegeven grond, geen betrekking heeft op een situatie waarop art. 525, eerste lid onder 1º, Sv van toepassing is, omdat geen sprake is van "dezelfde zaak" in de zin van die bepaling, kon dat verzoek op die grond dus niet worden toegewezen.

3.3.10. Uit het vorenoverwogene volgt dat ook het tweede middel dat, ook voorzover het betreft de klacht met betrekking tot de beslissing op het subsidiaire verzoek tot het horen van getuigen, uitgaat van en voortbouwt op de hiervoor onjuist bevonden rechtsopvatting van het Hof, zoals hiervoor onder 3.3.3 weergegeven niet tot cassatie kan leiden.

4. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Corstens, Van Buchem-Spapens en Balkema, in bijzijn van de griffier Bakker, in raadkamer van 27 mei 1999.

mr Van Buchem-Spapens is buiten staat deze beschikking te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1999, 635 met annotatie van J. de Hullu
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?