Nr. 3999 Besch.
Parket, 10 mei 1999
Mr Fokkens
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van het gerechtshof te 's- Gravenhage waarbij het verzoek tot regeling van rechtsgebied in de zin van art. 526 Sv ongegrond is verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. De raadsman geeft voorts aan dat het cassatieberoep zich niet richt tegen de afwijzing door het hof van de door de procureur- generaal gevraagde voorzieningen. Bespreking daarvan kan dus achterwege blijven, al wil ik er wel op wijzen dat het hof heeft overwogen dat het verzoek te bepalen dat schorsing van de vervolging van rechtswege als bedoeld in art. 526 Sv niet bedoeld is voor dit geval, omdat door de verdediging misbruik is gemaakt van procesrecht, reeds wordt afgewezen omdat het niet op de wet is gebaseerd. Het woord reeds betekent dat het hof kennelijk van oordeel is dat ook overigens er geen reden zou zijn dat verzoek toe te wijzen en dit laatste kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat het hof de opvatting van het openbaar ministerie dat hier duidelijk sprake is van misbruik van procesrecht niet deelt.
3. De context van het verzoek wordt door het hof als volgt geschetst:
"Verzoeker is gedagvaard om op 2 maart 1999 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Aan verzoeker wordt kort samengevat verweten de deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven strafbaar gesteld bij de Opiumwet alsmede de betrokkenheid bij een vijftal cocaïne transporten.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat sprake is van een positief competentiegeschil in de zin van artikel 525, lid 1, sub 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv.) nu tegen mededaders van dezelfde strafbare feiten een vervolging is aangevangen bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam en - naar verzoeker meent te weten- ook tegen hemzelf in Rotterdam een vervolging is aangevangen die nog niet is beëindigd.
Dit heeft tot gevolg dat op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 6 Sv. de arrondissementsrechtbank te Rotterdam bij uitsluiting de bevoegde rechter is in de onderhavige strafzaak, aldus verzoeker."
4. Het eerste middel richt zich tegen de afwijzing van het verzoek de zaaksofficier te horen in verband met de verdenking van verdachte zelf in het arrondissement Rotterdam. Het hof oordeelt als volgt:
"Een geschil over rechtsmacht als door verzoeker bedoeld, doet zich voor indien twee rechters zich dezelfde zaak gelijktijdig hebben aangetrokken.
Van de zijde van het Openbaar Ministerie is medegedeeld dat tegen verzoeker door het arrondissementsparket te Rotterdam geen vervolging tegen verzoeker is ingesteld of ingesteld is geweest. Een en ander blijkt uit de brief van de Hoofdofficier van Justitie, [officier van justitie] van 15 maart 1999.
De door de verdediging geuite veronderstelling dat een bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam tegen NN lopend gerechtelijk vooronderzoek in feite op hem betrekking had, acht het hof voldoende weerlegd door de inhoud van deze brief. Derhalve acht het hof ook geen termen aanwezig de zaaksofficier van justitie als getuige te horen zoals de raadsman subsidiair verzocht.
In zoverre is er naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake van een geschil over rechtsmacht in de zin van art. 525 Sv. voorzover het verzoeker zelf betreft."
5. Ik stel voorop dat het hof er terecht van is uitgegaan dat er ook sprake is van een geschil over rechtsmacht indien de zaak ter terechtzitting is aangebracht bij de ene rechtbank, terwijl tegelijkertijd bij de andere rechtbank ter zake van hetzelfde feit tegen dezelfde verdachte een gerechtelijk vooronderzoek loopt. Ook indien twee rechters-commissarissen bij verschillende rechtbanken tegen dezelfde verdachte voor hetzelfde feit een gerechtelijk vooronderzoek hebben geopend is er sprake van een geschil over rechtsmacht. Vgl. Melai, WvSv, aantek. 4 bij art. 525. Ik merk in dit verband nog op dat, indien in die situatie blijkt dat een rechter-commissaris, terwijl hij onbevoegd was, onderzoek heeft verricht, dit onderzoek niettemin van kracht blijft. Zie art. 179 Sv, Blok-Besier, dl. I, p. 494 en Melai, WvSv, aantek. 1 en 2 bij art. 179.
6. Het middel stelt dat de afwijzing van het verzoek de zaaksofficier te horen niet naar behoren gemotiveerd is. Nu niet bekend is wat de vraagstelling aan de hoofdofficier is geweest, is volgens het middel niet duidelijk of in het antwoord van de hoofdofficier van justitie rekening is gehouden met een gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte als NN-verdachte.
7. De brief van de hoofdofficier bevindt zich bij de stukken en houdt in:
"Naar aanleiding van uw verzoek inzake de strafzaak tegen [verzoeker], bericht ik u dat in geen der op de onder parketnummer 09/75 4087- 97 geregistreerde dagvaarding opgenomen feiten tegen deze verdachte door mijn parket een daad van vervolging is ingesteld of ingesteld geweest."
8. Het middel ziet er aan voorbij dat de hoofdofficier van justitie blijkens zijn brief niet alleen bekend was met de naam van verdachte en met de precieze tenlastegelegde feiten, maar dat hij - blijkens de hierna onder nr. 18 geciteerde brief over de vraag of tegen medeverdachten van [verzoeker] nog een vervolging gaande was - ook de inhoud van het verzoek tot regeling van rechtsgebied kende. In dat verzoek wordt door de raadsman uitdrukkelijk als grond voor zijn verzoek de mogelijkheid genoemd dat tegen [verzoeker] (al dan niet als NN verdachte) een gerechtelijk vooronderzoek loopt. Tegen deze achtergrond kon het hof aannemen dat de hoofdofficier van justitie bij zijn onderzoek naar de vraag of door zijn parket in een van de in de dagvaarding opgenomen feiten daden van vervolging zijn ingesteld tegen [verzoeker], tevens heeft onderzocht of een gerechtelijk vooronderzoek tegen NN in feite tegen [verzoeker] gericht was. Dat het hof het in deze omstandigheden niet nodig achtte de zaaksofficier te horen is niet onbegrijpelijk, temeer niet nu de raadsman heeft verzocht de betrokken officieren van justitie te Rotterdam hierover te horen dan wel hen een ambtsbericht te doen opstellen. Dat laatste heeft de hoofdofficier van justitie immers gedaan, waarbij kan worden aangenomen dat hij dat ambtsbericht heeft opgesteld nadat hij de betrokken officieren van justitie had geraadpleegd. Het subsidiaire verzoek is met inachtneming van de juiste maatstaf toereikend gemotiveerd afgewezen. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
9. Het tweede middel werpt een gelijksoortige klacht op ten aanzien van verdachtes medeverdachten. Ook ten aanzien van hen heeft het hof het verzoek om de zaaksofficier te horen afgewezen. Het hof overweegt op dit punt:
"Met verzoeker en anders dan de procureur-generaal is het hof van oordeel dat er ook sprake kan zijn van een positief competentiegeschil indien verscheidene rechters gelijktijdig de verschillende deelnemers van dezelfde strafbare feiten berechten.
Uit de mededelingen van de procureur-generaal blijkt dat inderdaad verdachten die als deelnemers kunnen worden beschouwd van thans aan verdachte tenlastegelegde feiten terzake daarvan zijn vervolgd bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam. Uit de in raadkamer overgelegde brief van de Hoofdofficier van Justitie te Rotterdam van 17 maart 1999 komt evenwel naar voren dat in geen van deze zaken thans nog een vervolging door zijn parket gaande is. De raadsman heeft deze mededeling niet met argumenten weersproken. Het hof zal voor de beoordeling van deze zaak dan ook van de juistheid van die mededeling uitgaan.
Door de verdediging is naar voren gebracht dat nog niet vaststaat of, voorzover deze zaken hebben geleid tot een einduitspraak, deze uitspraken onherroepelijk zijn geworden. Ook het bestaan van een einduitspraak van de ene rechtbank, terwijl de vervolging van dezelfde zaak gelijktijdig bij een andere
rechter aanhangig is, levert grond op tot regeling van rechtsgebied, naar de mening van de raadsman.
Het hof volgt de raadsman niet in deze zienswijze.
De door verzoeker gevraagde regeling van rechtsgebied kan naar het oordeel van het hof niet plaatshebben als de zaak bij een der rechters niet meer aanhangig is. Een doelmatige uitleg van de betreffende bepaling brengt mee dat het hier slechts kan gaan om zaken die aanhangig zijn bij dezelfde feitelijke instantie zodat de vraag, in hoeverre nog zaken aanhangig zijn na het wijzen van het vonnis, hier niet verder behoeft te worden onderzocht.
Het subsidiaire verzoek van de raadsman om nog ten aanzien van deze kwestie de zaaksofficier van justitie als getuige te horen zal dan ook worden afgewezen.
Bovenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek ongegrond dient te worden verklaard nu evenmin sprake is van een positief competentiegeschil in de zin van artikel 525 Sv. voor zover het de medeverdachten betreft."
10. Voordat ik het middel bespreek, wil ik aandacht besteden aan de opvatting van het hof dat er ook sprake kan zijn van een positief competentiegeschil, indien verscheidene rechters gelijktijdig de deelnemers van dezelfde strafbare feiten berechten.
11. De procureur-generaal heeft ter terechtzitting betoogd dat een positief competentiegeschil zich slechts kan voordoen in geval van een dubbele vervolging, dat wil zeggen dat terzake van hetzelfde feit voor twee gerechten gelijktijdig een vervolging van dezelfde verdachte plaatsvindt (wat volgens het hof in deze zaak niet het geval is, zie de bespreking van het eerste middel). Indien het openbaar ministerie de zaak tegen verdachte A voor het ene gerecht vervolgt en vervolgens terwijl die eerste vervolging nog niet is beëindigd, en dus gelijktijdig in de zin van art. 6 lid 2 Sv, de zaak tegen medeverdachte B aanbrengt bij een ander gerecht, is dat laatste gerecht op grond van art. 6 lid 2 Sv niet bevoegd, maar van een jurisdictie-geschil is volgens de procureur-generaal in die situatie geen sprake, omdat er niet twee vervolgingen lopen tegen dezelfde verdachte. In plaats van een verzoek tot regeling van rechtsmacht in te dienen, dient de verdediging in dat geval in zaak B aan te voeren dat de rechter op grond van het bepaalde in art. 6 lid 2 Sv niet bevoegd is, aldus het standpunt van de procureur-generaal.
12. Het hof oordeelt - in navolging van Blok-Besier (di. Ill, p. 112 e.v.), Melai, WvSv, aantek. 2 en 6 bij art. 525, Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, 2º dr., p. 170, Van Bemmelen, Strafvordering, 6e dr., p. 62, Cleiren in T&C Sv, aantek. 4c op art. 525 - anders, overigens zonder dit oordeel ook maar op enige wijze te motiveren.
13. De literatuur waarin de opvatting die het hof aanhangt wordt verdedigd, beroept zich veelal op de beschouwingen van Blok-Besier. Zij beginnen (zie Blok- Besier, dl. IlI, p. 111-113) hun betoog met een bespreking van de vraag in hoeverre art. 525 Sv een verandering inhoudt ten opzichte van de regeling van het positief jurisdictieconflict onder het oude Wetboek. In dat wetboek bepaalde art. 308 dat regeling van rechtsgebied kan plaats vinden, indien onderscheidene rechterlijke colleges zich de kennisneming van dezelfde of van samenhangende strafbare feiten hebben aangetrokken. In art. 525 ontbreekt de bepaling dat een regeling van rechtsgebied wordt toegestaan voor het geval dat twee of meer rechters zich de kennisneming van samenhangende strafbare feiten hebben aangetrokken. Dit zou volgens de schrijvers een gevolg zijn van de omstandigheid dat in het oude Wetboek voor voeging vereist was dat het ging om samenhangende feiten, welk begrip in art. 88 (oud) werd gedefinieerd, terwijl in het huidige Wetboek die eis niet meer wordt gesteld. Nu de vraag of feiten samenhangend waren voor de voeging iedere betekenis verloren had, was dat blijkbaar de reden om geen regeling van rechtsgebied meer toe te laten in geval van samenhangende strafbare feiten bij verschillende gerechten. Daaruit mag volgens Blok-Besier echter niet de conclusie worden getrokken dat er geen geschil van rechtsmacht is in de zin van art. 525, indien twee (of meer, in het vervolg ga ik gemakshalve uit van twee verschillende gerechten) rechters de verschillende deelnemers aan hetzelfde strafbare feit berechten. In die situatie is er volgens hen sprake van één zaak. Dat beargumenteren zij met het betoog dat reeds onder het vorige Wetboek de opvatting werd aangehangen dat voeging van strafzaken slechts mogelijk was bij pluraliteit van strafbare feiten, welke situatie zich niet voordoet bij meer deelnemers aan één strafbaar feit. Uit dit laatste zou -zo begrijp ik - moeten worden afgeleid dat bij meer deelnemers aan één strafbaar feit voeging niet nodig is, omdat deze situatie wordt beschouwd als de berechting van één strafbaar feit. In dat verband vermelden zij dat ook de MvT op art. 259 Sv daarop wijst, nu deze inhoudt :
"Staan verschillende personen die te zamen slechts één strafbaar feit pleegden - zoals mededaders - gezamenlijk terecht, dan heeft er geen voeging doch berechting van het ééne door hen gezamenlijk gepleegde delict plaats".
Uit dit alles trekken zij de conclusie "dat zo dikwijls in strijd met art. 6 tegelijkertijd meerdere deelnemers aan hetzelfde strafbare feit voor verschillende rechters worden vervolgd, zal moeten worden aangenomen, dat zij zich in de zin van art. 525 „dezelfde” zaak hebben aangetrokken".
14. Het is de vraag of deze redenering (nog) steekhoudend is, nu de rechtspraak het begrip zaak anders heeft uitgelegd dan Blok-Besier. Indien twee deelnemers aan hetzelfde strafbare feit tegelijkertijd voor dezelfde rechter terecht staan, wordt dat niet beschouwd als één zaak, maar als twee zaken zolang de zaken niet worden gevoegd. Twee verdachten die in die situatie samen terecht staan zijn ook geen medeverdachten in de zin van art. 341 Sv. Indien het begrip zaak in art. 525 Sv zou worden uitgelegd in de door Blok-Besier bepleite zin, zou dit beteken dat in art. 525 Sv een ander zaaksbegrip wordt gehanteerd dan elders in de wet. Nadat is vastgesteld dat twee rechters dezelfde zaak aan zich hebben getrokken doordat rechter A deelnemer X berecht en rechter B deelnemer Y, zal het onttrekken van de zaak tegen Y aan rechter B er immers toe leiden dat - anders dan Blok-Besier nog stelt - rechter A twee zaken heeft namelijk een zaak tegen X en een zaak tegen Y. Dat laatste behoeft niet te betekenen dat art. 525 hier dus niet van toepassing is, want een verschillende uitleg van het begrip zaak in bepalingen die een verschillende strekking hebben is niet uitgesloten, maar het wetssystematische argument dat Blok-Besier hanteerde gaat niet meer op.
15. De overige schrijvers geven - naast een verwijzing naar Blok-Besier - geen andere argumenten voor hun opvatting dat bij gelijktijdige berechting van deelnemers aan één strafbaar feit door verschillende gerechten er sprake is van een positief competentieconflict, dan een verwijzing naar de regeling van art. 6 lid 2 Sv. Die regeling houdt, zoals hierboven reeds is aangegeven, in dat bij gelijktijdige vervolging van mededaders voor verschillende gerechten uitsluitend bevoegd blijft de rechter bij wie de vervolging het eerst is aangevangen. Indien rechter A de zaak tegen mededader X van een strafbaar feit berecht, impliceert dit dat hij ook en met uitsluiting van andere gerechten (zie art. 6 Sv) bevoegd is de zaak tegen de mededader Y te behandelen, zolang hij de eerste zaak onder zich heeft. Indien de zaak tegen Y, terwijl de vervolging van X nog niet tot een einduitspraak heeft geleid, bij rechter B wordt aangebracht, is rechter B onbevoegd, maar zolang deze rechter zich niet onbevoegd heeft verklaard, impliceert zijn behandeling van de zaak tegen Y de pretentie dat rechter B en niet rechter A bevoegd is de zaak tegen X te berechten. Er is bij gelijktijdige behandeling van mededaders door verschillende gerechten in die zin een competentiegeschil dat niet beide gerechten tegelijk bevoegd kunnen zijn de zaak tegen een mededader te berechten. Anders gezegd, aansluitend bij de bewoordingen van art. 525, luidt deze redenering: door de zaak tegen X te berechten heeft rechter A - voor de duur van de vervolging in die instantie - ook de zaak tegen Y aan zich getrokken. Doordat rechter B de zaak Y in behandeling neemt, heeft ook deze rechter de zaak Y aan zich getrokken en is er sprake van de in artikel 525 lid 1 sub 1 bedoelde situatie.
16. Het is de vraag of dit betekent dat het hof terecht - met bovengenoemde schrijvers - heeft geoordeeld dat hier sprake is van een jurisdictieconflict in de zin van art. 525 Sv. Tegen die opvatting kan namelijk nog het volgende worden aangevoerd. Ook indien het begrip zaak (of zaak aan zich trekken) in art. 525 ruim wordt uitgelegd in die zin dat daaronder alle bij het strafbare feit betrokken deelnemers vallen, neemt dat niet weg dat van elkaar te onderscheiden blijven de zaak die voor gerecht A wordt vervolgd na het uitbrengen van een dagvaarding tegen X en de zaak tegen Y, die bij gerecht B wordt vervolgd en bij gerecht A niet aanhangig is zolang het openbaar ministerie bij dat gerecht geen vervolging tegen Y heeft ingesteld. Indien in die omstandigheden aan het hof wordt verzocht een regeling van rechtsmacht te treffen, kan het hof daarin slechts op beperkte wijze voorzien. Anders dan in het geval waarin twee rechtbanken dezelfde zaak tegen dezelfde verdachte berechten, kan het hof hier niet de zaak aan rechtbank B onttrekken en rechtbank A aanwijzen als het gerecht dat verder bevoegd is de zaak af te handelen. Het hof kan niet verder komen dan het onbevoegd verklaren van rechtbank B met de vaststelling dat de officier van justitie de zaak tegen Y bij rechtbank A moet aanbrengen, zolang de vervolging van X aldaar niet geëindigd is. Niets belet het openbaar ministerie om de zaak tegen Y opnieuw bij rechtbank B aan te brengen nadat in de zaak tegen X de einduitspraak is gedaan. Ontbreekt hierdoor niet een wezenlijk kenmerk van de regeling van rechtsgebied, namelijk dat de rechter die over het conflict beslist, bepaalt welke rechter bevoegd is de zaak verder te behandelen?
17. Alles afwegend heb ik een lichte voorkeur voor deze laatste redenering. Onder de in het verzoekschrift als tweede grond aangevoerde omstandigheden - er zou nog een vervolging tegen medeverdachten lopen - is er geen jurisdictieconflict in de zaak tegen [verzoeker], omdat er tegen hem geen zaak loopt te Rotterdam. Anders dan in het geval waarin een verdachte voor hetzelfde feit bij twee rechtbanken wordt vervolgd, bestaat hier niet het gevaar van onderling tegenstrijdige uitspraken en dubbele bestraffing. Het voorkomen van die situaties is de ratio van de regeling van rechtsmacht bij positieve competentiegeschillen. In dit verband merk ik nog op dat de omstandigheid dat rechtbank A tot een veroordeling van X komt omdat X en Y tezamen een bepaald feit hebben gepleegd niet onverenigbaar is met een vrijspraak van Y van datzelfde feit door rechtbank B. Ook wijs ik erop dat coördinatie tussen rechtbanken met de moderne communicatieapparatuur veel gemakkelijker is dan dit in het verleden was, waardoor het risico van onbedoelde verschillen in de afdoening van samenhangende zaken door verschillende rechtbanken is verkleind. Mijn primaire conclusie is derhalve dat er, anders dan het hof heeft geoordeeld, geen sprake kon zijn van een rechtsmachtconflict in de zin van art. 525 Sv op de als tweede grond aangevoerde omstandigheden en dat het tweede middel om die reden niet kan slagen.
18. Voor het geval Uw Raad deze conclusie niet deelt, wat ik mij - omdat er ook voor de opvatting van het hof sterke argumenten zijn te geven - kan voorstellen, bespreek ik het tweede middel.
19. Het middel stelt primair dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, nu niet duidelijk is of de hoofdofficier in zijn antwoord ten aanzien van de medeverdachten ook rekening heeft gehouden met niet met name in het verzoekschrift van verdachte genoemde medeverdachten. Ook deze brief van de hoofdofficier van justitie bevindt zich bij de stukken. De brief luidt als volgt:
"Naar aanleiding van uw verzoek inzake de strafzaak tegen [verzoeker], bericht ik u dat in geen der op de onder parketnummer 09/754087- 97 geregistreerde dagvaarding opgenomen feiten tegen de in het door u mij toegezonden klaagschrift genoemde medeverdachten door mijn parket vervolging thans nog gaande is."
20. Mijns inziens treft deze klacht geen doel. Het hof heeft gezien zijn overwegingen de brief van de hoofdofficier van justitie kennelijk aldus begrepen, dat deze daarin te kennen geeft dat er geen vervolgingen meer gaande zijn ten aanzien van verdachten van de in de dagvaarding genoemde feiten. Die uitleg is niet onbegrijpelijk : het is immers moeilijk voorstelbaar dat de hoofdofficier van justitie bekend zijnde met de precieze feitsomschrijvingen en met de inhoud van het klaagschrift, waarin steeds gewag wordt gemaakt van de omstandigheid dat de verdenking gericht is tegen een aantal met name genoemde verdachten en anderen, geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er ten aanzien van anderen dan de in het klaagschrift genoemde verdachten voor deze feiten nog een vervolging loopt in Rotterdam, dan wel bij een bevestigend antwoord op die vraag daarvan geen melding heeft gemaakt, terwijl hij op de hoogte is van de omstandigheid dat ook een vervolging tegen niet met name in het klaagschrift genoemde verdachten van belang kan zijn voor de beoordeling van het verzoekschrift.
21. Voorzover het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de raadsman de mededeling van de hoofdofficier niet met argumenten heeft weersproken en aldus de verdediging heeft opgezadeld met de taak aan te tonen dat nog niet alle zaken tegen medeverdachten zijn afgerond, miskent het middel dat het hof daarmee enkel tot uitdrukking heeft gebracht dat er, bij gebrek aan gemotiveerde betwisting door de raadsman, geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van het antwoord van de hoofdofficier.
22. Vervolgens stelt het middel dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een doelmatige uitleg van art. 525 Sv meebrengt dat het slechts kan gaan om zaken die aanhangig zijn bij dezelfde feitelijke instantie.
23. Ik acht die klacht niet gegrond. Ingevolge art. 6 lid 2 Sv dient het openbaar ministerie zaken van deelnemers indien gelijktijdig vervolgd voor één en dezelfde rechtbank aan te brengen. Het sleutelwoord in dit oordeel is het woord gelijktijdig. Alleen in dat geval is het openbaar ministerie verplicht om de zaken bij één en dezelfde rechtbank aan te brengen. Bij niet gelijktijdige vervolging is deze dwingende regel niet van toepassing. Art. 6 lid 2 Sv belet niet dat eerst een vervolging tegen een verdachte bij rechtbank A wordt ingesteld en dat vervolgens, nadat die zaak is afgedaan, bij rechtbank B de mededader wordt vervolgd. Vgl. blz. 2 van de Bijlage bij de Memorie van Toelichting bij de invoering van art. 6 lid 3 in Stb. 1983, 276 (TK 1982-1983, 17 744, nr. 4). Zie voorts Blok-Besier I, Het Nederlandsche Strafproces, blz. 61; de losbladige Sv, aant. 3 op art. 6; Corstens, Handboek, tweede druk, blz. 161 en Barels in T&C Sv, aant. 4 op art. 6.
24. De vraag is nu welke betekenis moet worden gehecht aan het woord gelijktijdig. Betekent het dat zolang een veroordeling van een medeverdachte door rechtbank A nog niet onherroepelijk is, er sprake is van gelijktijdigheid als een vervolging van de andere verdachte bij rechtbank B wordt aangespannen? Of moet het begrip beperkter worden uitgelegd? De raadsman van verzoeker (en ook het middel) gaat blijkens de overwegingen van het hof uit van de eerste optie, het hof oordeelt in de zin van de tweede optie. De wetsgeschiedenis vermeldt over de achtergrond van de verplichte forumkeuze van art. 6 lid 2 Sv (in Stb. 1921, 14) het volgende:
"Waar bij een gepleegd strafbaar feit meer dan één dader of medeplichtige is betrokken, is het in het belang eener goede procesorde noodig, dat het feit in zijn geheel voor denzelfden rechter kan worden behandeld. ( ... ) Door de thans voorgestelde bepaling, waarvan de wenschelijkheid in de practijk meermalen is gebleken, wordt de berechting van elke zaak, waarbij meerdere daders of medeplichtigen betrokken zijn, in de handen van denzelfden rechter gebracht, waardoor het belang der strafvordering niet anders dan gebaat kan zijn."
en in TK 1982-1983, 17.744, nr. 4, blz. 3:
"Ook het belang van de verdachten kan ermee zijn gediend dat zij in zulke complexe strafzaken niet voor verschillende fora maar voor één rechtbank terecht staan. Die ene rechtbank heeft immers een beter overzicht van het geheel en van de mate van betrokkenheid van de verschillende verdachten bij het berechte feitencomplex dan het geval zou zijn indien verschillende rechterlijke colleges zich daarover moeten buigen. Een genuanceerde straftoemeting is beter verzekerd wanneer deze aan één rechtbank, die alle aspecten van de zaak kent en alle verdachten voor zich ziet verschijnen, wordt opgedragen dan wanneer verschillende rechtbanken die slechts van bepaalde onderdelen van de zaak hebben kennis genomen uitspraak moeten doen. Dit is dan ook de reden geweest waarom de wetgever geconcentreerde vervolging voor één rechtbank bij deelneming in geval van gelijktijdige vervolging verplicht heeft gesteld."
25. Art. 6 lid 2 Sv beoogt dus een praktisch doel: de bevordering van de proces- economie en de gelijkheid in straftoemeting. Indien de zaak van de medeverdachte niet meer bij het gerecht aanhangig is, omdat een einduitspraak is gegeven, spelen de argumenten van doelmatigheid en gelijkheid veel minder sterk. In de eerste plaats is het vanwege het recht op berechting door een onpartijdige rechter in de zin van art. 6 EVRM, niet meer vanzelfsprekend om dezelfde rechters met de nieuwe zaak te belasten. De "garantie" van gelijkheid bij straftoemeting berust immers op het gegeven dat moet worden verwacht dat de rechter zijn oordeel in de eerste zaak als uitgangspunt al nemen voor zijn beslissing in de tweede zaak. Ook de doelmatigheid moet om die reden een stap terug doen, nu zij moet worden afgewogen tegen de schijn van partijdigheid die kan rijzen bij berechting van de mededader door dezelfde rechter. Ik verwijs in dit verband naar de discussie in de litteratuur over dit vraagstuk, bijv. M.I. Veldt, Het EVRM en de onpartijdige strafrechter, p. 136 e.v. In de tweede plaats is het risico van ongelijkheid minder groot zodra in de zaak van de eerste verdachte een einduitspraak is gegeven. De tweede rechter kan immers met die uitspraak rekening houden. Daarbij is het dankzij de moderne communicatie- en reproductiemiddelen veel eenvoudiger dan in 1929 om snel op de hoogte te geraken van de beslissingen van de andere
rechter in de eerste zaak . In de derde plaats is het weliswaar juist dat de doelmatigheid wordt gediend door dezelfde rechter ook de zaak tegen de medeverdachte te laten behandelen, maar dat is niet anders indien de eerste zaak onherroepelijk is beslist en in dat geval schrijft de wet een geconcentreerde berechting niet (dwingend) voor. Doelmatigheid is dus geen sterk argument om art. 6 lid 2 Sv ook van toepassing te achten zolang de einduitspraak nog niet onherroepelijk is, omdat dat argument in alle gevallen waarin een rechter de zaak tegen een van de verdachten heeft berecht opgaat, terwijl dat op zich geen reden is om in al die gevallen geconcentreerde berechting voor te schrijven. Tenslotte is een argument voor de opvatting van het hof dat de eerste rechter, nadat hij een eindbeslissing in de zaak heeft gegeven, ook al is die beslissing niet onherroepelijk, inhoudelijk geen bemoeienis meer heeft met de zaak (hij kan wel bijv. verklaren dat de zaak geëindigd is, indien het openbaar ministerie talmt met het aanbrengen van de zaak in hoger beroep).
26. Ik meen daarom dat het hof kon komen tot het oordeel dat art. 6 lid 2 aldus moet worden uitgelegd dat het slechts kan gaan om zaken die feitelijk in behandeling zijn bij dezelfde feitelijke instantie. Zie ook Cleiren in T&C Sv. aant. 4b) op art. 525, waarin zij stelt dat het voor de hand ligt dat met "gelijktijdig" wordt bedoeld, gelijktijdig lopende zaken, niet gelijktijdig aangevangen zaken. In diezelfde zin de losbladige Sv, aant. 7 op art. 525.
27. Het middel wijst nog op een passage in de losbladige Sv, aant. 8 op art. 525 die echter over een andere vraag handelt, namelijk de vraag wie de in het competentie geschil betrokken rechter is: de zichzelf bevoegd achtende rechtbank of de in hoger beroep tot onbevoegdheid van de lagere rechter oordelende rechter.
28. Nu het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de vervolging van de mededaders in Rotterdam niet meer gaande is, kon het tevens tot het oordeel komen dat er ook ten aanzien van de medeverdachten geen geschil is in de zin van art. 525 Sv. Ook heeft het hof het verzoek van de raadsman om de zaaksofficier van justitie te horen met hantering van de juiste maatstaf - het hof ziet onder deze omstandigheden de noodzaak daarvan niet in - toereikend gemotiveerd verworpen. Ik wijs er daarbij nog op dat ook hier de raadsman als alternatief voor het horen van de officier van justitie het ambtsbericht, dat is ingekomen, had genoemd.
29. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
De middelen niet gegrond achtend concludeer ik dat het beroep zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG.