14 april 2000
Eerste Kamer
Nr. C98/253HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr G.C. Makkink,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN RIJSWIJK,
gevestigd te Rijswijk,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr M.F. Baaij.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie — verder te noemen: de Ontvanger — heeft bij exploit van 13 augustus 1993 eiser tot cassatie — verder te noemen: [eiser] — gedagvaard voor de Rechtbank te 's‑Gravenhage en een vordering ingesteld die na wijziging van eis inhield te verklaren voor recht:
a. dat [eiser] als bestuurder van Nedantil op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990, hoofdelijk aansprakelijk is voor de in het lichaam van de dagvaarding onder punt 1 genoemde belastingschuld;
b. dat [eiser] jegens de Ontvanger aansprakelijk is voor het in het lichaam van de dagvaarding onder punt 6 genoemde bedrag van ƒ 237.210,--, of, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ex artikel 50 Invorderingswet 1990 een nader bedrag wordt vastgesteld, voor dat andere bedrag;
c. dat [eiser] met ingang van 26 maart 1993 de invorderingsrente verschuldigd is over ƒ 237.210,-- of, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ex artikel 50 Invorderingswet 1990 een ander bedrag wordt vastgesteld, de invorderingsrente over dat andere bedrag.
[eiser] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 maart 1995 de zaak naar de rol verwezen voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van de Ontvanger.
Tegen dit tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's‑Gravenhage.
Bij arrest van 19 maart 1998 heeft het Hof het bestreden tussenvonnis bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr J. de Bie Leuveling Tjeenk, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op ƒ 597,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 14 april 2000.