17 maart 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/201HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr A.M. van Kuijeren.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement Dordrecht heeft op 3 september 1999 onder overlegging van een op 1 september 1999 ondertekende geneeskundige verklaring een vordering ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de Rechtbank verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, de sociaal verpleegkundige en de vriendin van verzoeker op 13 september 1999 had gehoord en op 20 september 1999 de vader van verzoeker telefonisch had gehoord, heeft zij bij beschikking van 1 oktober 1999 de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de Rechtbank te Dordrecht ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Onderdeel 1 van het middel bestrijdt primair de juistheid van de diagnose schizofrenie, doch tevergeefs. De vraag of deze diagnose juist is, zou een onderzoek van feitelijke aard vergen waarvoor in cassatie geen plaats is. Daarnaast bevat dit onderdeel een motiveringsklacht, inhoudende dat de in het dossier aanwezige gegevens voormelde diagnose niet kunnen dragen. Het dossier bevat echter een door een psychiater opgestelde geneeskundige verklaring met onder meer de thans door verzoeker bestreden diagnose (schizofrenie) en daarbij de aantekening dat zulks is bevestigd door een “second opinion” van het AZU, afdeling Psychiatrie, van 10 juni 1999. Tegen de achtergrond van deze verklaring is het geenszins onbegrijpelijk dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker lijdende is aan schizofrenie. De enkele betwisting van deze diagnose door verzoeker, zoals deze blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van verzoeker, noopte de Rechtbank niet haar beslissing nader te motiveren. De klacht faalt.
3.2 Onderdeel 2 keert zich met zowel een motiveringsklacht als een rechtsklacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat de stoornis van verzoeker hem “gevaar doet veroorzaken om zichzelf”. Verzoeker voert in de eerste plaats aan dat hij gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de gestelde aanwezigheid van gevaar dat zou kunnen voldoen aan de wettelijke bepalingen. Ten onrechte, aldus verzoeker, heeft de Rechtbank niet verduidelijkt, waarom dat verweer niet werd aanvaard. De rechtsklacht betreft onjuiste toepassing van het gevaarscriterium van art. 2 Bopz.
3.3 De Rechtbank heeft met betrekking tot het bestaan van gevaar overwogen:
“De kans is zeer groot dat, indien betrokkene niet de noodzakelijk geachte behandeling ondergaat, hij niet in staat is op een adequate wijze zelfstandig zijn leven in te richten. Er is gevaar voor zelfverwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en zelfs suïcidegevaar, zoals in het afgelopen jaar en recenter - in het voorjaar - heeft plaatsgevonden”.
Hierin ligt besloten dat de Rechtbank het hiervoor onder 3.2 vermelde verweer heeft verworpen.
Oordelende als hiervoor is weergegeven, heeft de Rechtbank niet van een onjuiste opvatting omtrent het begrip “gevaar” in art. 2 Bopz blijk gegeven. De in onderdeel 2 vervatte rechtsklacht faalt derhalve.
3.4 Bij de beoordeling of de Rechtbank in het onderhavige geval in het licht van het gevoerde verweer kon volstaan met de hiervoor aangehaalde motivering, geldt het volgende. Verzoeker heeft in feitelijke aanleg gemotiveerd bestreden dat er sprake is van gevaar. De door hem erkende poging tot zelfmoord kenschetste hij als een schreeuw om aandacht. Op het punt van de maatschappelijke teloorgang en de zelfverwaarlozing heeft hij onder meer verklaard dat hij het gymnasium heeft voltooid, vrienden en een vriendin heeft en werk. Zijn raadsman heeft in de feitelijke instantie evenzo gesteld dat verzoeker zich goed staande houdt en dat er geen sprake is van gevaar in de zin van de Bopz. In de overige in het dossier aanwezige verklaringen, onder meer afkomstig van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige en de vader van verzoeker, wordt niet gepreciseerd voor welk gevaar nu eigenlijk moet worden gevreesd indien een voorlopige machtiging zou uitblijven. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft daarenboven nog verklaard dat met verzoeker, die naar blijkt uit het dossier op dat moment al zes maanden op basis van vrijwilligheid in een locatie van het Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis “De Grote Rivieren” verbleef, niet viel samen te werken en dat hij, verzoeker, voor de keus is gesteld, of behandeld te worden of weg te moeten. In de geneeskundige verklaring wordt het gevaar van zelfdoding vermeld doch uit de door de Rechtbank gebezigde formulering blijkt dat suïcidegevaar niet als een zelfstandige grond voor het verlenen van de machtiging is gezien, doch slechts in combinatie met het gevaar voor zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat zonder nadere redengeving, welke ontbreekt, voldoende duidelijk is wat de Rechtbank bij de verwerping van het onder 3.2 weergegeven verweer voor ogen heeft gestaan en waarop zij zulks heeft gegrond. De beslissing van de Rechtbank is aldus niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Dit onderdeel treft derhalve doel.
3.5 De onderdelen 3 en 4 behoeven geen behandeling nu de beschikking zal worden vernietigd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Dordrecht van 1 oktober 1999;
verwijst de zaak naar die Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Van der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman, Hammerstein en Kop, en in
het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 17 maart 2000.