27 maart 2001
Strafkamer
nr. 02671/00
ACH/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie
tegen een arrest van het
Gerechtshof te Amsterdam van
26 mei 2000, parketnummer 23/002180-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft het openbaar ministerie ter zake van de tenlastegelegde feiten, voorzover deze in Portugal zouden zijn begaan, in de vervolging van de verdachte niet- ontvankelijk verklaard en voorts in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 27 november 1998 - de verdachte ter zake van sub a "verkrachting", sub b "feitelijke aanranding van de eerbaarheid" en sub c "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van éénhonderd uren, in plaats van twee maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer opgelegd in voege als in het arrest vermeld.
2.Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft mr. K. Spaargaren een geschrift ingediend, dat geen middel van cassatie
bevat.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal aanvullen in dier voege dat aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een proeftijd van twee jaren zal worden verbonden en het beroep zal verwerpen.
3.Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Het Hof heeft bij de oplegging van de straf, zoals hiervoor onder 1 weergegeven, verzuimd overeenkomstig art. 14b, eerste lid, Sr de duur van de proeftijd te bepalen.
De Hoge Raad zal, met herstel van die misslag, de bestreden uitspraak verbeteren als hierna te melden.
5.Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6.Beslissing
De Hoge Raad:
Bepaalt met handhaving van de beslissingen van het Hof voor het overige, dat de bestreden uitspraak aldus moet worden gelezen dat het Hof aan de veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, een proeftijd van twee jaren heeft verbonden;
Verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 maart 2001.