Nr. 0271/00
Mr Machielse
Zitting 6 februari 2000
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 26 mei 2000 voor zedendelicten veroordeeld tot het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en tot een schadevergoedingsmaatregel, en voort de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijke toegewezen. Het gerechtshof heeft verzuimd de duur van de proeftijd vast te stellen. Ik meen dat de Hoge Raad dit verzuim zal kunnen herstellen en alsnog de proeftijd zal kunnen bepalen op twee jaren.
2. Mr B. Roodveldt, advocaat te Alkmaar, heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
Ook is ter griffie van de Hoge Raad een brief ontvangen van mr K. Spaargaren, raadsvrouwe van de benadeelde partij, welke brief evenwel geen middel van cassatie bevat.
3.1. Het middel stelt dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk had moeten worden verklaard in de vervolging ter zake van het onder b en c bewezene voorzover die delicten zouden zijn gepleegd voor 10 september 1984, omdat het vervolgingsrecht door verjaring zou zijn vervallen.
3.2. Volgens de telastelegging, zoals die in hoger beroep is gewijzigd, zouden de feiten zich hebben afgespeeld in of omstreeks de periode van 1 september 1982 tot en met 31 december 1989. Onder a is verkrachting telastegelegd, welk misdrijf is bedreigd met gevangenisstraf van 12 jaren, onder b feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art.246 Sr, acht jaar strafbedreiging) onder c ontucht met een jeugdige (art.247 Sr, zes jaar strafbedreiging). De verjaringstermijn voor het misdrijf onder a bedraagt 15 jaar, voor de misdrijven onder b en c 12 jaar. Art.71 Sr is gewijzigd bij wet van 7 juli 1994, Stb. 529, welke wet voorzag in invoeging in het eerste lid van het derde onderdeel. Volgens art.71 lid 1 onder 3 Sr vangt de verjaringstermijn bij de misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250ter, en gepleegd ten aanzien van een minderjarige, aan op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden. Deze wijziging is op 1 september 1994 in werking getreden. In art. III van de wet, luidende: 'De artikelen I, Ia en II zijn van toepassing op strafbare feiten die zijn gepleegd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet' is expliciet vastgelegd dat de nieuwe verjaringsregeling van toepassing is vanaf de inwerkingtreding op 1 september 1994 van de wet. Dat betekent dat het vervolgingsrecht voor feiten dat al voor 1 september 1994 door verjaring was vervallen, niet herleefde, maar dat anderzijds op de verjaring van het vervolgingsrecht dat nog niet was vervallen het nieuwe onderdeel wél van toepassing was. Alleen ten aanzien van misdrijven die meer dan 15 jaar resp. 12 jaar voor 1 september 1994 zijn gepleegd zou het openbaar ministerie door verjaring niet ontvankelijk zijn in de strafvervolging.(1)
Het oordeel van het hof dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging is dus juist.
4. Het middel faalt en kan met de motivering van art.101a RO worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest aanvulle in dier voege dat aan de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een proeftijd van twee jaren zal worden verbonden en het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR NJ 1997,261; HR 3 maart 1998, NJB 1998,53, p.667.