3 juli 2001
Strafkamer
nr. 01758/99 E
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 12 december 1997, parketnummer 09/085316-97, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats]
1. De bestreden uitspraak
De Economische Politierechter heeft de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.10 eerste lid, van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderdvijfendertig gulden, subsidiair twee dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in diens beroep.
3. Beoordeling van het ingestelde beroep
3.1.Blijkens de door de Griffier van de Rechtbank daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 31 maart 1999 ter griffie verklaard tegen het onder 1 vermelde vonnis "beroep" in te stellen. Aangenomen moet worden dat de verdachte heeft beoogd aldus tot uitdrukking te brengen het volgens de wet tegen voormeld vonnis openstaande rechtsmiddel, te weten verzet, te willen aanwenden. De Griffier van de Rechtbank heeft de stukken van het geding evenwel naar de Hoge Raad gezonden ter behandeling en afdoening van het ingestelde "beroep".
3.2. Tot de stukken van het geding behoort een op ambtseed opgemaakte "kennisgeving mededeling NOH-vonnis"
- waarmee klaarblijkelijk is bedoeld: niet-onherroepelijk vonnis -, inhoudende dat op 16 maart 1999 door een medewerker van de penitentiaire inrichting Oostereiland te Hoorn aan de verdachte in persoon mededeling is gedaan van voornoemd vonnis. Derhalve had tegen dat vonnis uiterlijk op 30 maart 1999 een rechtsmiddel moeten zijn aangewend. Het onder 3.1 bedoelde rechtsmiddel is evenwel eerst op 31 maart 1999 ingesteld.
3.3. De hiervoor onder 3.2 vermelde omstandigheid heeft tot gevolg dat geen rechter de verdachte nog zal kunnen ontvangen in het door deze aangewende rechtsmiddel. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juli 2001.
Mr. A.J.A. van Dorst is buiten staat dit arrest te ondertekenen.