Nr. 03655/05
Mr Machielse
Zitting 14 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 24 november 2005 verstaan dat verdachte tegen de verstekveroordeling van de Kantonrechter te Rotterdam van 10 mei 2004 voor overtreding van de bepaling van de Algemene Plaatselijke Verordening van Rotterdam, waarbij verdachte een geldboete van € 40,- is opgelegd, geen hoger beroep maar beroep in cassatie heeft ingesteld en dienvolgens het dossier naar de griffier van de Hoge Raad toegezonden.
2. Verdachte heeft op 28 februari 2005 tegen de verstekveroordeling door de Kantonrechter hoger beroep ingesteld.
3.1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 24 november 2005 overwogen dat tegen het vonnis geen hoger beroep maar cassatie openstond, het ingestelde rechtsmiddel verstaan als beroep in cassatie en de stukken verzonden aan de griffier van de Hoge Raad.
3.2. Art. 404 Sv houdt sinds 1 januari 2003 in dat voor verdachte tegen een vonnis, als einduitspraak door een rechtbank ter zake van een overtreding gewezen en waarbij verdachte niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, hoger beroep openstaat tenzij (lid 2 onder b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum van € 50. Omdat in de onderhavige zaak een geldboete van € 40,- is opgelegd stond inderdaad geen hoger beroep open. Wel evenwel verzet op de voet van art. 399 lid 1 jo. lid 3 Sv.
3.3. Het hof had het ingestelde rechtsmiddel als verzet dienen te verstaan en de stukken naar de griffier van de rechtbank moeten zenden. Als verdachte in de verzetprocedure weer tot een zelfde geldboete wordt veroordeeld zou wél cassatie openstaan ingevolge art. 404 lid 3 Sv.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het ingestelde hoger beroep zal verstaan als verzet en de stukken zal doen toekomen aan de griffier van de rechtbank, opdat de rechtbank de zaak op het bestaande verzet zal kunnen berechten en afdoen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden