22 juni 2004
Strafkamer
nr. 02061/03
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 mei 2003, nummer 22/003620-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Sovjetunie) op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 17 juli 2002 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal", 2. "poging tot zware mishandeling" en 3. "mishandeling" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld en tevens de benadeelde partij voor het meerdere in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Steur, advocaat te Oegstgeest, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat aan de verdachte ten onrechte, althans zonder deugdelijke motivering, vervangende hechtenis is opgelegd, nu ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd is aangevoerd dat de verdachte ongeschikt is een vrijheidsstraf te ondergaan.
3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnotities en in aanvulling daarop met betrekking tot de strafoplegging, voorzover hier van belang, onder meer aangevoerd:
"Een onvoorwaardelijke detentiestraf is niet passend voor iemand bij wie een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en die regelmatig aanvallen heeft van depressies en angsten. Cliƫnt is al eerder opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen vanwege zijn pogingen om een eind aan zijn leven te maken. Een detentiestraf kan in het onderhavige geval zeker niet worden opgelegd zonder dat een gedegen onderzoek naar detentiegeschiktheid heeft plaatsgevonden."
en:
"De verdachte lijdt aan een posttraumatisch syndroom, hetgeen zich uit in angstaanvallen. De psychiater heeft in zijn rapport niets opgemerkt over de detentiegeschiktheid van de verdachte. Dit wil niet zeggen dat de verdachte detentiegeschikt is."
3.3. Uit het voorgaande blijkt niet dat door of namens de verdachte gemotiveerd is aangevoerd dat hij niet in staat is een vrijheidsbenemende sanctie te ondergaan, zodat het middel feitelijke grondslag mist en reeds daarom niet tot cassatie kan leiden.
3.4. Overigens geldt de regel waarop het middel zich beroept, neergelegd in het in de toelichting op het middel genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 november 1995, NJ 1996, 166, niet indien de rechter een sanctie oplegt waaraan door hem vervangende hechtenis wordt verbonden. In genoemd arrest is beslist dat de rechter, wanneer gemotiveerd is aangevoerd dat de verdachte niet in staat is om een gevangenisstraf te ondergaan, en hij desalniettemin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, gehouden is verantwoording af te leggen van zijn oordeel dat de verdachte een gevangenisstraf kan ondergaan. Vervangende hechtenis is naar haar aard echter niet aan te merken als een sanctie die daadwerkelijke vrijheidsbeneming medebrengt, terwijl de eventuele uit de vervangende hechtenis voortvloeiende vrijheidsbeneming afhankelijk is van het latere gedrag van de veroordeelde.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 juni 2004.