Griffienr. 02061/03
Mr. Wortel
Zitting:4 mei 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens (1) "diefstal", (2 primair) "poging tot zware mishandeling" en (3) "mishandeling" is veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis in geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Voorts heeft het Hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 479, 91. Ten behoeve van de benadeelde partij heeft het Hof verzoeker tot hetzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door negen dagen hechtenis, en met bepaling dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal vervallen voor zover aan de andere is voldaan.
2. Namens verzoeker heeft mr. P.M. Steur, advocaat te Oegstgeest, één cassatiemiddel voorgesteld.
3. Dat bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, ten aanzien van de straf en de maatregel heeft bepaald dat vervangende hechtenis ten uitvoer gelegd zal kunnen worden, ofschoon namens verzoeker is aangevoerd dat deze niet geschikt is detentie te ondergaan.
4. Indien gemotiveerd is aangevoerd dat de verdachte niet in staat is gevangenisstraf te ondergaan, zal de rechter, indien hij niettemin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, in zijn uitspraak de bijzondere redenen moeten vermelden die hem tot het oordeel hebben gebracht dat het verantwoord is die straf aan de verdachte te voltrekken, vgl. HR NJ 2003, 86.
5. Naar mijn inzicht kan deze motiveringseis om twee redenen geen betrekking hebben op het bevel tot toepassen van vervangende hechtenis.
6. Ten eerste laten de art. 22d en 24c, telkens eerste lid, Sr de rechter geen beslissingsruimte. Krachtens deze bepalingen is de rechter bij het opleggen van een taakstraf, onderscheidenlijk een geldboete of (in verband met het zesde lid van art. 36f Sr) een schadevergoedingsmaatregel gehouden het bevel tot toepassing van vervangende hechtenis te geven.
7. Ten tweede is voor de vervangende hechtenis kenmerkend dat de beslissing tot tenuitvoerlegging daarvan eerst op een later tijdstip genomen kan worden, terwijl het gedrag van de veroordeelde zelf in de regel bepalend is voor die later te nemen beslissing. Hier doet zich een wezenlijk verschil voor met het opleggen van gevangenisstraf (of hechtenis als hoofdstraf), welke strafoplegging het Openbaar Ministerie immers rechtstreeks tot tenuitvoerlegging verplicht. Van de rechter die een taakstraf, geldboete of schadevergoedingsmaatregel oplegt kan niet worden gevergd dat hij zich in verband met de vervangende hechtenis uitlaat over eventuele ongeschiktheid tot het ondergaan van vrijheidsbeneming, welke ongeschiktheid pas kan worden beoordeeld indien de vraag voorligt of het mislukken van de taakstraf of het uitblijven van betaling en verhaal aanleiding is de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen.
8. Opmerking verdient overigens dat het College van Procureurs-Generaal een voorschrift heeft gegeven waarin besloten ligt dat het Openbaar Ministerie bij de beslissing tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis dient te bezien of er redenen zijn van die tenuitvoerlegging af te zien of die tenuitvoerlegging op te schorten, waarbij ten aanzien van een taakstraf mede moet worden beoordeeld of het niet naar behoren uitgevoerd zijn van die taakstraf (eventueel na verlenging van de termijn waarbinnen de taakstraf verricht moest worden), het gevolg is van een omstandigheid die niet aan de veroordeelde is toe te rekenen. Dat voorschrift is de "Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen", Stcrt. 2003, 126 (voor zover ik kon achterhalen is deze Aanwijzing nog niet aangepast aan het vervallen, per 1 september 2003, van art. 24d Sr). De voorloper van deze Aanwijzing is gepubliceerd in Stcrt. 2002, 68.
9. Reeds in verband met het vorenstaande kan het middel geen doel treffen.
10. Bovendien meen ik dat de klacht feitelijke grondslag ontbeert. In de in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen is betoogd dat verzoeker in het land van herkomst zeer te lijden heeft gehad onder etnisch/godsdienstig geweld, welk betoog uitmondt in de stelling:
"Een onvoorwaardelijke detentiestraf is niet passend voor iemand bij wie een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en die regelmatig aanvallen heeft van depressies en angsten. Cliënt is al eerder opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen vanwege zijn pogingen om een eind aan zijn leven te maken.
Een detentiestraf kan in het onderhavige geval zeker niet worden opgelegd zonder dat een gedegen onderzoek naar detentiegeschiktheid heeft plaatsgevonden."
Aanvullend op zijn pleitaantekeningen heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep betoogd:
"De verdachte lijdt aan een posttraumatisch syndroom, hetgeen zich uit in angstaanvallen. De psychiater heeft in zijn rapport niets opgemerkt over de detentiegeschiktheid van de verdachte. Dit wil niet zeggen dat de verdachte detentiegeschikt is."
11. De raadsman heeft derhalve wèl betoogd dat aan het opleggen van een vrijheidsbenemende straf een onderzoek naar verzoekers detentiegeschiktheid vooraf zou moeten gaan, maar niet gedocumenteerd aangevoerd dat verzoekers ongeschiktheid tot het ondergaan van detentie vaststaat.
12. Het middel faalt.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,