13 september 2005
Strafkamer
nr. 02664/04
AGJ/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 november 2001, nummer 22/000987-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Israël) op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 22 mei 2000 - de verdachte ter zake van 1. "verduistering" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze hebben mr. A.M. Seebregts en mr. J.J.A.P. van Breukelen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring ter zake van feit 1 ontoereikend is gemotiveerd, omdat de in de bewezenverklaring bedoelde in-line skates aan de verdachte in eigendom toebehoorden.
3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 14 februari 1999, te Rotterdam opzettelijk een paar in-line skates (merk K2), toebehorende aan [A], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als koper, onder gehoudenheid om geld op te nemen en die in-line skates die dag af te rekenen, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."
3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte:
"Ik ben op een zondag naar de winkel genaamd [A] gegaan. Deze winkel was gevestigd aan de [a-straat] te [vestigingsplaats]. Ik deelde het personeel van deze winkel mee dat ik rollerskates wilde kopen. Ik had deze rollerskates aangetrokken. Bij de kassa gekomen gaf ik aan dat ik met mijn bankpas wilde pinnen. Dat lukte echter niet. Ik vroeg vervolgens aan de verkoper of ik naar mijn eigen bank mocht gaan om daar dan geld te gaan halen. Ik hoorde dat deze verkoper tegen mij zei dat het niet gebruikelijk was. Ik stelde deze verkoper vervolgens voor dat ik dan mijn jas, mijn schoenen, alsmede mijn identiteitskaart als onderpand in deze winkel zou achterlaten. Ik hoorde dat deze verkoper daar
akkoord mee ging. Ik ben vervolgens met deze rollerskates gereden naar een betaalautomaat van de Postbank. Daar lukte het echter ook niet om geld te pinnen. Ik ben vervolgens met deze rollerskates gereden naar een betaalautomaat van de ABN-AMRO bank. Daar lukte het echter ook niet om geld te pinnen. Ik ben vervolgens met de trein naar Amsterdam gegaan. U vraagt mij waarom ik niet naar de winkel ben teruggegaan van waar ik de skates had meegenomen. Ik wilde de rollerskates gewoon hebben. Niets dat me daar vanaf bracht."
b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:
"Ik ben werkzaam als bedrijfsleider bij de firma [A], gevestigd [a-straat 1] te [vestigingsplaats]. Uit hoofde van die functie ben ik gerechtigd tot het doen van aangifte namens die firma. Op 14 zondag februari 1999 kwam er bij mij een man in de zaak. Die man vroeg mij informatie over een paar in-line skates van het merk K2. Op een gegeven moment besloot de man deze skates te kopen. Hij wilde ze afrekenen met zijn pincodepas van een bank. Dat lukte niet. Hierop vroeg de man of ik het goed vond dat hij even bij een bank geld op ging nemen. Hij wilde de schaatsen echter aanhouden. Ik deelde hem mede dat dit niet gebruikelijk was. Hierop bood hij aan dat ik zijn identiteitskaart zou bewaren, alsmede zijn jas en schoenen. Nadat hij geld had opgenomen zou hij terugkomen om de schaatsen af te rekenen, waarna ik hem de goederen weer zou retourneren. Hiermee stemde ik in. Ik gaf de man de schaatsen, die toebehoren aan de winkel [A], mee. We hadden duidelijk de afspraak gemaakt dat de man binnen een half uur terug in de winkel zou zijn om de schaatsen af te rekenen. Ik heb de man tot op heden niet terug in de winkel gezien. Volgens de identiteitskaart zou hij zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats]."
3.3. Gelet op deze bewijsmiddelen heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de in-line skates op het moment waarop de verdachte ermee de winkel verliet nog toebehoorden aan [A] en voorts dat de verdachte vervolgens die skates wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door in strijd met de verkoper gemaakte afspraak daarover zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester te beschikken en de in-line skates niet terug te brengen naar de winkel toen bleek dat de verdachte geen geld kon pinnen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste uitleg van enige in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende en aan art. 321 Sr ontleende term en is niet onbegrijpelijk.
3.4. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 september 2005.