1 november 2005
Strafkamer
nr. 00013/05
AGJ/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 maart 2004, nummer 22/004842-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 14 februari 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat door het verkeersongeval aan een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, althans dat de bewezenverklaring op dit onderdeel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed.
3.2.1. Het Hof heeft overeenkomstig de op overtreding van art. 6 WVW 1994 toegesneden tenlastelegging, voorzover hier van belang, bewezenverklaard dat de verdachte door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, "waardoor genoemde in de door verdachte bestuurde auto aanwezige passagier, [het slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan".
3.2.2. In verband met het letsel van [het slachtoffer] heeft het Hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
a. een kopie geneeskundige verklaring, opgemaakt door
dr. D.A. Ligtenstein, chirurg in het Ruwaard van Puttenziekenhuis te Spijkenisse, op 8 juli 2002, inhoudende -zakelijk weergegeven -:
"Dat hij op 31 mei 2002 [het slachtoffer] heeft onderzocht in het Ruwaard van Puttenziekenhuis. Hij heeft een breuk in de achtervoet waargenomen. Tevens bestaat een vermoeden van niet-uiterlijk waarneembaar letsel."
b. een geschrift van politie Rotterdam-Rijnmond, te weten medische informatie betreffende [het slachtoffer], datum incident 31 mei 2002, opgemaakt door J.R. van Leeuwen, politiearts, op 28 juni 2002, inhoudende - zakelijk weergegeven -:
"Omschrijving letsel: Hielbeenbreuk. Geschatte genezingsduur plm.: een half jaar."
3.3. Uit de aldus vastgestelde aard van het letsel en de geschatte duur van de genezing heeft het Hof kunnen afleiden dat dat letsel een zodanig ernstige verstoring van het gezonde lichamelijk functioneren van het slachtoffer heeft teweeggebracht, dat sprake is van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden, als bedoeld in art. 6 WVW 1994. De bewezenverklaring is in dit opzicht toereikend gemotiveerd.
3.4. Het middel faalt derhalve.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 1 november 2005.