20 februari 2007
Strafkamer
nr. 00856/06 J
DV/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 oktober 2005, nummer 22/007179-04, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kinderrechter in de Rechtbank te Dordrecht van 25 november 2004 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheid is ontstaan" en 2. "schuldheling" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen jeugddetentie.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat sprake is van een tijdelijke ziekte of verhindering in de normale bezigheden.
3.2.1. Overeenkomstig de op art. 6 WVW 1994 toegesneden tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 30 maart 2004 te Dordrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bromfiets, daarmee rijdende over het fietspad van de Groenezoom, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door onvoorzichtig en onoplettend te rijden, immers,
heeft hij toen aldaar op een bromfiets gereden terwijl hij niet in het bezit was van een bromfietscertificaat
en
heeft hij toen aldaar met die bromfiets niet op de rijbaan gereden, maar op het verplichte fietspad dat verboden was voor bromfietsen, zoals aangegeven door middel van bord G11 uit bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990,
en
heeft hij toen aldaar gereden met een veel hogere snelheid dan de binnen de bebouwde kom voor bromfietsen toegestane maximumsnelheid van 30 kilometer per uur
en
is hij bij het met die zeer hoge snelheid inhalen van een zich op dat fietspad bevindende skater, die op dat moment slingerend aan het afremmen was, onvoldoende uitgeweken en heeft hij onvoldoende snelheid verminderd en is hij niet tijdig gestopt,
waardoor hij met zijn bromfiets tegen die skater is aangereden,
tengevolge waarvan die skater (genaamd [slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan."
3.2.2. In verband met het letsel van [slachtoffer] heeft het Hof tot het bewijs gebezigd:
a. een proces-verbaal van politie, inhoudende - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - als verklaring van [slachtoffer]:
"Ik heb als gevolg van die aanrijding al bijna 4 weken niet kunnen werken."
b. een medische verklaring van M. van de Besselaar, geneeskundige te Dordrecht, van 31 maart 2004 met betrekking tot [slachtoffer], inhoudende:
"Bijzondere mededeling: zware hersenschudding"
3.3. Onder normale bezigheden als bedoeld in art. 6 WVW 1994 dienen te worden verstaan bezigheden die kunnen worden aangemerkt als ambts- of beroepsbezigheden of bezigheden die daarmee vergelijkbaar zijn (vgl. HR 9 januari 2001, LJN AA9370, NJ 2001, 162).
Blijkens de hiervoor vermelde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat [slachtoffer] een zware hersenschudding heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding en dat deze als gevolg daarvan bijna vier weken niet heeft kunnen werken. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat sprake is van tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden, als bedoeld in art. 6 WVW 1994. De bewezenverklaring is in dit opzicht toereikend gemotiveerd.
3.4. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 februari 2007.