ECLI:NL:HR:2005:AU3309

ECLI:NL:HR:2005:AU3309, Hoge Raad, 06-12-2005, 03471/04

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 06-12-2005
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 03471/04
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2005:AU3309
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0008804

Samenvatting

Het hof heeft de effectuering van de onttrekking aan het verkeer afhankelijk gesteld van een voorwaarde (de onherroepelijke afwijzing van een ontheffingsaanvraag ex art. 4 WWM). Die mogelijkheid kent de wet niet.

Uitspraak

6 december 2005

Strafkamer

nr. 03471/04

SG/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 mei 2004, nummer 22/005325-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 22 juli 2003 - de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid tot het voorwaardelijk opleggen van de maatregel van onttrekking aan het verkeer.

3.2. Het middel is gericht tegen de volgende beslissing van het Hof:

"Verklaart onttrokken aan het verkeer het voorwerp, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

1.00 STK Imitatiewapen

Mortier 81 M 81 mm

Bepaalt, dat de maatregel van onttrokken verklaring niet eerder ingaat dan op de dag na die waarop onherroepelijk afwijzend is beslist op het voor dat voorwerp door of namens de verdachte op een datum voor heden gedaan verzoek om ontheffing in de zin van artikel 4 van de Wet wapens en munitie."

3.3. Met betrekking tot deze beslissing heeft het Hof het volgende overwogen:

"8. De onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen voorwerp

Vaststaat dat het in beslaggenomen voorwerp een zodanige gelijkenis bezit met een wapen dat het geschikt is voor bedreiging of afdreiging en dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Wat betreft het ongecontroleerde bezit wordt evenwel naar het oordeel van het hof de situatie anders, indien voor het voorwerp op de voet van artikel 4 van de Wet wapens en munitie een ontheffing zou zijn verleend. Volgens de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting van het hof is (onder meer) de inbeslagneming van het voorwerp aanleiding geweest tot indiening van een dergelijke ontheffingsaanvraag. Niet ondenkbaar is dat ontheffing onder strikte beperkende voorwaarden, met name ten behoeve van het museaal tentoonstellen, zou kunnen worden verleend. Het hof zal daarom bepalen dat het voorwerp onttrokken dient te worden aan het verkeer maar tevens dat dit niet eerder het geval zal zijn dan na een onherroepelijke afwijzing van de aanhangige ontheffingsaanvraag."

3.4. Aldus heeft het Hof de effectuering van de onttrekking aan het verkeer afhankelijk gesteld van een voorwaarde. Die mogelijkheid kent de wet niet. Het middel klaagt daarover terecht.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 december 2005.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2005, 703 NJ 2007, 279 NbSr 2006/14
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?