HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04875 B
Datum 18 april 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2021, nummer RK 21/1957, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[belanghebbende] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de belanghebbende.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. Namens deze heeft J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak op de bestaande vordering opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank de teruggave van een inbeslaggenomen hond heeft gelast onder de voorwaarden dat de hond buitenshuis zal worden gemuilkorfd en aangelijnd.
De rechtbank heeft een vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tot onttrekking aan het verkeer van de in het cassatiemiddel bedoelde hond afgewezen. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
“Beoordeling
Aan de hand van de beschikbare adviezen, waaronder dat van deskundige Planta, kan voldoende worden vastgesteld dat de hond een gevaar vormt voor kleine kinderen. In dat verband wordt in de risicoanalyse van het Riskassessmentteam van 15 juli 2021 geconcludeerd dat de hond niet terug kan naar beslagene omdat zij meerdere kinderen zou hebben in haar directe omgeving. Vaststaat echter dat het hierbij gaat om (bijna) meerderjarige kinderen en dat beslagene geen kleinkinderen heeft. Die conclusie wordt dus niet gedragen door de juiste feiten. Omdat verder niet valt in te zien dat en waarom het bij de hond vastgestelde gevaar niet kan worden beteugeld door hem, zoals geadviseerd door deskundige Planta, buitenshuis te muilkorven en aan te lijnen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de hond onder die voorwaarden terug kan naar beslagene. Hierbij is meegenomen dat zij op zitting heeft aangegeven geen enkel bezwaar te hebben tegen de geadviseerde maatregelen. De vordering zal dus worden afgewezen, met teruggave van de hond aan beslagene.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst af de vordering onttrekking van de officier van justitie;
- gelast de teruggave aan de beslagene van de hond [naam] , Staffordshire Bullterriër met chipnummer [001] , onder de voorwaarden dat de hond buitenshuis zal worden gemuilkorfd en aangelijnd.”
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
(...)
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.”
- Artikel 552f leden 1 en 2 Sv:
“1. Bevoegd tot het geven van beschikkingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht is het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden vervolgd.
2. De beschikking wordt niet gegeven dan op een met redenen omklede vordering van de officier van justitie.”
In artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, Sr is de mogelijkheid geopend om voorwerpen bij afzonderlijke rechterlijke beschikking aan het verkeer te onttrekken, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv. Die procedure voorziet er niet in dat de rechtbank, als zij oordeelt dat de vordering moet worden afgewezen, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelast. Reeds daarom is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de rechtbank, dat de wet voorziet in een beslissing als door de rechtbank genomen, onjuist.
Het cassatiemiddel slaagt.
Opmerking verdient nog het volgende. In het geval waarin ook een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a lid 1 Sv aanhangig is, zal de rechtbank in die procedure de teruggave kunnen gelasten, zij het dat de rechter daaraan geen voorwaarden kan verbinden (vgl. HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1573, rechtsoverweging 2.7). Is geen klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv aanhangig dan is het - ingeval de vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv wordt afgewezen - aan de in artikel 116 lid 1 Sv bedoelde (hulp)officier van justitie om te beslissen over het voortduren van het beslag.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2023.