23 december 2005
Eerste Kamer
Nr. C05/277HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk,
t e g e n
1. [Verweerster 1], voorheen genaamd Mechanisatiebedrijf [A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in cassatie
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van dagvaarding van 7 september 2005 aan verweersters in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verweerster 1] en [verweerster 2], dan wel gezamenlijk te noemen: [verweerster] c.s. - aangezegd dat hij beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 7 juni 2005, en [verweerster] c.s. gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 14 oktober 2005.
[Verweerster] c.s. zijn niet verschenen. [eiser] heeft verzocht verstek tegen [verweerster] c.s. te verlenen.
De Advocaat-Generaal J. Spier heeft ter terecht-zitting van 11 november 2005 schriftelijk geconcludeerd tot weigering van het gevraagde verstek.
2. Beoordeling van het verzoek om verstekverlening
Het arrest waartegen het cassatieberoep is gericht, is gewezen tussen "[A] B.V." als appellante en [eiser] als geïntimeerde. Het dagvaardingsexploot waarmee deze cassatieprocedure is aangevangen, is op de voet van art. 63 Rv. uitgebracht ten kantore van de procureur van appellante in de vorige instantie en gericht tegen "[verweerster 1]" en "[verweerster 2]".
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft [eiser] bewijsstukken overgelegd, waaruit ten genoege van de Hoge Raad is gebleken, dat een besloten vennootschap "[A] B.V." niet heeft bestaan, doch dat de besloten vennootschap "[verweerster 1] ", voorheen genaamd "Mechanisatiebedrijf [A]", mede optrad onder "Mechanisatie & Constructie Bedrijf [B] b.v.". Het briefhoofd waarin deze naam is gehanteerd, geeft daarvan blijk door de vermelding van het handelsregisternummer waaronder "[verweerster 1]" blijkens de door [eiser] overgelegde stukken in het Handelsregister is opgenomen. Er moet derhalve worden aangenomen dat de besloten vennootschap die in appel is opgetreden onder de naam "[A] B.V." de vennootschap was, die thans "[verweerster 1]" heet.
Er kan derhalve verstek worden verleend tegen deze vennootschap, doch niet tegen "[verweerster 2]".
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verleent verstek tegen [verweerster 1];
weigert het gevraagde verstek tegen [verweerster 2] en verstaat dat de instantie ten aanzien van deze vennootschap is geëindigd;
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 6 januari 2006 voor voortprocederen in de zaak tegen [verweerster 1] B.V.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 december 2005.