Rolnr. C05/277HR
mr J. Spier
Rolzitting 11 november 2005
Conclusie op verstek inzake
[eiser]
tegen
[verweerster 1]
en
[verweerster 2]
1. Verweerders zijn in feitelijke aanleg niet in deze procedure betrokken geweest. Zij worden in het thans bestreden arrest dan ook niet genoemd.
2 Volgens het cassatiemiddel onder A2 is [A] BV thans genaamd [verweerster 2]. Het zou dus gaan om een naamswijziging.
3. Deze voorstelling van zaken vindt in de overgelegde uittreksels uit het handelsregister geen steun. Ten overvloede: evenmin valt daaruit af te leiden dat de in 's Hofs arrest genoemde naam van geïntimeerde ([A] BV)(1) haar/hun handelsnaam zou zijn. Ten slotte: van nieuwe feiten is evenmin sprake. Volgens de uittreksels uit het handelsregister is er sinds 28 mei 1999 niets gewijzigd in de rechtsvorm en benaming.(2)
4. Mogelijk(3) moet worden aangenomen dat de partij die tot en met 's Hofs arrest in rechte is betrokken (een rechtspersoon) nooit heeft bestaan. Dat komt evenwel voor risico van [eiser]. Het had op eenvoudige wijze in het handelsregister kunnen worden nagezien.
5. Een en ander zou slechts de ontvankelijkheid raken, ware het niet dat [eiser] ervoor heeft gekozen om de dagvaarding te doen betekenen op de voet van art. 63 Rv. Nu verweerders in cassatie nimmer in deze procedure betrokken zijn geweest, biedt art. 63 Rv. geen enkele basis om op de daar aangegeven wijze te dagvaarden.(4)
5. Verstek zal moeten worden geweigerd.
6. Ten overvloede: [eiser] wordt daardoor m.i. niet in haar belang geschaad. Het beroep zou immers toch nergens toe kunnen leiden. Immers zou hij n.m.m. niet kunnen worden ontvangen in zijn vordering,(5) gesteld al dat verstek zou worden verleend. Eens te meer omdat duister is welke van de twee in cassatie gedagvaarde partijen in de plaats zou (moeten) komen van [A] BV, gesteld al dat het mogelijk zou zijn dat één hunner de procedure zou overnemen.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot weigering van het verstek.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 De onderstreping van mij, AG.
2 Wel zou "de nevenvestiging", kennelijk van [A] BV te [vestigingsplaats], met ingang van 1 februari 2003 zijn opgeheven.
3 Dat kan met niet met zekerheid worden opgemaakt uit de overgelegde stukken. Voor de vraag of verstek al dan niet kan worden verleend, doet het er niet toe.
4 Vgl. HR 8 januari 1982, NJ 1983, 777 WHH.
5 Vgl. HR 6 december 2002, NJ 2004, 162 rov. 3.5.1-3.5.3.