8 maart 2011
Strafkamer
nr. 09/03331 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 november 2008, nummer 22/003236-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 Sv niet is nageleefd.
2.2. De procesgang in hoger beroep is als volgt geweest:
(i) de betrokkene heeft op 30 augustus 2007 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter van 16 augustus 2007.
(ii) de "oproeping van veroordeelde in hoger beroep" voor de terechtzitting van het Hof van 6 november 2008 is overeenkomstig art. 588, derde lid onder c, Sv op 28 augustus 2008 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank.
(iii) blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch de betrokkene noch een voor de betrokkene optredende raadsman verschenen.
(iv) het Hof heeft de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.
2.3. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevatten niets waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van de betrokkene een afschrift van de oproeping aan een voor de betrokkene optredende raadsman is gezonden.
2.4. Aan de cassatieschriftuur is een kopie van een brief gehecht van 4 september 2007 van mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, aan de strafgriffie van het Hof. Deze brief houdt in:
"Parketnummer: 10/613215-06
(...)
In bovengenoemde zaak is op 30 augustus 2007 hoger beroep in de ontnemingsprocedure ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2007. Ik stel mij hierbij voor de behandeling in hoger beroep."
Eveneens is aan de cassatieschriftuur een transactierapport gehecht waaruit is af te leiden dat de hiervoor genoemde brief, die in het rapport is afgedrukt, op 4 september 2007 om 17.44 uur is verzonden naar het nummer 070 381 3650, welk faxnummer het nummer van de strafgriffie van het Hof is.
2.5. Bij de cassatieschriftuur is niet overgelegd een brief van de griffier van het Hof waarin de ontvangst van de hiervoor onder 2.4 genoemde brief is bevestigd. Een dergelijke ontvangstbevestiging bevindt zich evenmin bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat die brief van de advocaat niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige ontnemingszaak in hoger beroep. De inhoud van het genoemde transactierapport, dat het juiste parketnummer van de zaak in eerste aanleg bevat, biedt echter voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat die brief wel ter griffie van het Hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt.
In cassatie moet daarom ervan worden uitgegaan dat zich wel een raadsman had gesteld en dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de betrokkene gegeven voorschrift is van zo grote betekenis, dat, al wordt dat niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de betrokkene en diens raadsman in de weg te staan.
2.6. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 maart 2011.