9 december 2011
Eerste Kamer
11/01751
DV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.H. Dormeier,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak FA RK 09-5049 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 januari 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.064.335/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 januari 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt er toe dat de Hoge Raad de procesvertegenwoordiger van verzoekster in de gelegenheid stelt zich binnen veertien dagen ter rolle schriftelijk uit te laten over de vraag waarom het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en over de rechtsgevolgen daarvan.
De advocaat van de moeder heeft zich ter rolle van 30 september 2011 bij akte over de conclusie uitgelaten.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1 Het verzoekschrift in de onderhavige zaak is ingediend op 12 april 2011. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende de moeder te zorgen dat het door haar verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van haar verzoekschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. Die termijn liep af op 10 mei 2011, maar de moeder heeft het griffierecht eerst op 14 juni 2011 voldaan.
Dat brengt mee dat zij op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in haar beroep.
3.2 In de hiervoor in 2 vermelde akte ligt besloten dat namens de moeder alsnog een beroep wordt gedaan op het buiten toepassing laten van laatstgenoemde bepalingen op de in art. 282a lid 4 Rv. genoemde grond (de 'hardheidsclausule'). Betoogd wordt dat, indien de moeder niet-ontvankelijk wordt verklaard, een onbillijke situatie zal ontstaan doordat zij als gevolg van het in kracht van gewijsde gaan van de beschikkingen in de feitelijke instanties aanzienlijke bedragen aan (kinder)alimentatie zal moeten voldoen. Daargelaten of dit in de omstandigheden van het geval een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in de hardheidsclausule oplevert, kan dit betoog al daarom niet worden aanvaard omdat het zich niet laat verenigen met de beslissing van het hof in rov. 11 van de bestreden beschikking dat niet van de moeder verlangd kan worden dat zij de eventueel door de vader teveel betaalde kinderalimentatie aan hem terugbetaalt en dat het hof het daartoe strekkende verzoek van de vader afwijst.
Ook overigens heeft de moeder geen omstandigheden aangevoerd die zouden nopen tot het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van het bepaalde in art. 282a lid 2 op grond van de hardheidsclausule.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep;
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 december 2011.