23 maart 2012
Eerste Kamer
11/05319
RM/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats], Suriname,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. L.C. Blok,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de beschikking met zaaknummer 388997 / HA RK 11-129 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 september 2011.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift tot cassatie is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het door verzoeker verschuldigde griffierecht is op 5 januari 2012 door de Hoge Raad ontvangen.
De advocaat van [verzoeker] heeft zich bij brief van 5 januari 2012 uitgelaten over de te late betaling van de griffierechten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 [Verzoeker] heeft bij verzoekschrift van 1 december 2011 beroep in cassatie ingesteld.
Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken had het griffierecht moeten zijn voldaan binnen vier weken na indienen van het verzoekschrift, derhalve uiterlijk op 29 december 2011. Het griffierecht is echter pas op 5 januari 2012 voldaan. Dit brengt mee dat [verzoeker] op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn beroep.
3.2 De advocaat van [verzoeker] heeft zich bij brief van 5 januari 2012 uitgelaten over de te late betaling van de griffierechten. Hij stelt dat ten gevolge van de nieuwe regeling rond de betaling van de griffierechten iets is misgegaan in de communicatie met [verzoeker], die de griffierechten rechtstreeks zou voldoen, en verzoekt in verband met de aanloopproblemen bij de invoering van het nieuwe griffierechtenstelsel het verzuim als verschoonbaar aan te merken.
3.3 Deze brief heeft kennelijk tot strekking een beroep te doen op de hardheidsclausule van art. 127a lid 3 Rv. Dit beroep faalt. In cassatie worden partijen immers in alle gevallen vertegenwoordigd door een advocaat, en deze moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijnen en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. In dit licht zijn de in deze brief aangevoerde omstandigheden onvoldoende om een beroep op de hardheidsclausule te kunnen rechtvaardigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door F.B. Bakels op 23 maart 2012.