ECLI:NL:HR:2012:BU5603

ECLI:NL:HR:2012:BU5603, Hoge Raad, 10-02-2012, 11/00531

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2012
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 11/00531
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU5603
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 11 zaken
Aangehaald door 8 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0001833 BWBR0001840 BWBR0003045 BWBR0028899

Samenvatting

Cassatie; Wet griffierechten burgerlijke zaken. Griffierecht niet tijdig voldaan. Aangevoerde omstandigheden nopen niet tot toepassing hardheidsclausule art. 282a lid 4 Rv. Niet tijdige betaling niet te wijten aan verwarring wekkende informatie van de gerechtelijke administratie (vgl. HR 25 november 2011, LJN BU5778). Niet tijdige ontvangst van nota griffierecht en van herinnering of aanmaning tot betaling griffierecht, maakt termijnoverschrijding niet zonder meer verschoonbaar. Advocaat had actie kunnen en moeten ondernemen om in het bezit te komen van voor betaling benodigde gegevens. Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn beroep (art. 282a lid 2, art. 427b Rv.).

Uitspraak

10 februari 2012

Eerste Kamer

11/00531

EE/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.L. van Lookeren Campagne,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak 244913/FA RK 08-1197 van de rechtbank Utrecht van 3 september 2008 en 8 april 2009;

b. de beschikking in de zaak 200.046.886 van het gerechtshof te Amsterdam van 2 november 2010.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid

3.1 Het verzoekschrift in de onderhavige zaak is ingediend op 31 januari 2011. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende de man te zorgen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van zijn verzoekschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. Die termijn liep af op 28 februari 2011 maar de man heeft het griffierecht niet binnen die termijn voldaan. Dat brengt mee dat de man op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn beroep.

3.2 De man heeft op de rolzitting van 9 september 2011 een akte houdende "Uitlating voorgenomen conclusie O.M." genomen. Daarin betoogt hij, onder verwijzing naar een bij de akte gevoegde, door zijn advocaat op 18 augustus 2011 aan de President van de Hoge Raad gezonden brief, kort samengevat, het volgende. De advocaat van de man is door de griffie van de Hoge Raad op 21 juli 2011 telefonisch meegedeeld dat het door de man verschuldigde griffierecht niet was betaald en dat de zaak op de rol van 2 september 2011 was geplaatst voor uitlating in verband met het niet betalen van griffierecht op grond waarvan door het Parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad zou worden geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat van de man een onderzoek op zijn kantoor ingesteld waaruit is gebleken dat hoegenaamd geen correspondentie over het griffierecht aanwezig was, dus ook geen nota griffierecht en evenmin een herinnering of een aanmaning tot betaling. Daarop heeft de advocaat van de man op 29 juli 2011 de griffie verzocht hem een afschrift van de nota griffierecht te sturen, welke hij dezelfde dag van de griffie heeft ontvangen. Vervolgens is het griffierecht voldaan. De man kon het griffierecht pas betalen toen hij de nota had gekregen omdat hij eerst toen beschikte over de voor betaling essentiƫle informatie, met name het documentnummer, zonder vermelding waarvan de betaling niet in verband met de zaak kan worden gebracht. Onder deze omstandigheden acht de man de niet-ontvankelijkheid van zijn verzoek disproportioneel. Aldus doet de man alsnog een beroep op het buiten toepassing laten van art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b op de in het vierde lid van art. 282a genoemde grond, hierna aangeduid als de "hardheidsclausule".

3.3 Hieromtrent moet als uitgangspunt worden genomen dat in cassatie partijen in alle gevallen worden vertegenwoordigd door een advocaat en dat deze op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Dat de advocaat van de man niet tijdig een nota griffierecht en evenmin een herinnering of een aanmaning tot betaling van het griffierecht heeft ontvangen, en dus evenmin tijdig beschikte over het documentnummer, brengt daarom niet zonder meer mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Immers, de advocaat van de man had, teneinde te zorgen voor tijdige betaling van het griffierecht, actie kunnen en moeten ondernemen om in het bezit te komen van de voor de betaling benodigde gegevens. Nu, anders dan het geval was in HR 4 november 2011, LJN BU3348 en LJN BQ7045, de man geen feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan moet worden aangenomen dat in dit geval het achterwege blijven van de tijdige betaling van het griffierecht is te wijten aan verwarring wekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie, noopt hetgeen de man heeft aangevoerd niet tot geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv. (vgl. HR 25 november 2011, LJN BU5778).

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, F.B. Bakels, W.D.H. Asser en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president

W.A.M. van Schendel op 10 februari 2012.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2012/473 RvdW 2012/536 NJ 2012/228
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?