16 november 2012
Eerste Kamer
12/02193
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E.R. Weegenaar,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, IMMIGRATIE- EN NATURALISATIEDIENST),
zetelende te Rijswijk,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 400440/ HA RK 11-453 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 januari 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het door [verzoeker] verschuldigde griffierecht is op 4 juni 2012 door de Hoge Raad ontvangen.
Aan de advocaat van [verzoeker] is verzocht zich schriftelijk uit te laten over de vraag waarom het griffierecht niet binnen de wettelijke betalingstermijn is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad en de rechtsgevolgen daarvan.
De advocaat van [verzoeker] heeft zich bij brief van 14 juni 2012 over de te late betaling uitgelaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
3.1 Het verzoekschrift in deze zaak is ingediend op 25 april 2012. Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende [verzoeker] ervoor te zorgen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van zijn verzoekschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. De betalingstermijn verstreek derhalve op 23 mei 2012, maar [verzoeker] heeft het griffierecht pas op 4 juni 2012 voldaan. Dit brengt mee dat [verzoeker] op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv in zijn beroep niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.
3.2 Daartoe door de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld heeft de advocaat van [verzoeker] zich bij brief van 14 juni 2012 uitgelaten over de te late betaling.
De advocaat van [verzoeker] heeft erkend dat hij het griffierecht niet binnen de termijn had overgemaakt. Voorts heeft de advocaat verklaard dat hem bij navraag is meegedeeld dat er eerder een nota voor het griffierecht is verstuurd, waaraan hij heeft toegevoegd dat deze brief kennelijk in het ongerede is geraakt. Ten slotte heeft de advocaat de Hoge Raad verzocht de zaak inhoudelijk in behandeling te willen nemen, waarmee hij kennelijk verzoekt om toepassing door de Hoge Raad van de hardheidsclausule als bedoeld in art. 282a lid 4 Rv.
3.3 Als uitgangspunt moet worden genomen dat in cassatie partijen in alle gevallen worden vertegenwoordigd door een advocaat en dat deze op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Dit brengt mee dat de advocaat niet kan afwachten totdat hem een nota wordt toegestuurd, maar zo nodig actie moet ondernemen teneinde te zorgen voor tijdige betaling van het griffierecht. Dat de advocaat mogelijk niet binnen de wettelijke betalingstermijn een nota heeft ontvangen, brengt daarom niet zonder meer mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is (HR 16 maart 2012, LJN BU7361, NJ 2012/275). De advocaat heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die ertoe leiden dat de te late betaling verschoonbaar is.
Ook overigens heeft de advocaat geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een beroep op de hardheidsclausule kunnen rechtvaardigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 16 november 2012.