30 november 2012
Eerste Kamer
12/02652
TT/EP
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. Bouman,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 261800 / FA RK 03-1315 van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2009;
b. de beschikkingen in de zaak 200.041.429/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 30 maart 2010 (tussenbeschikking) en 28 februari 2012 (eindbeschikking).
De eindbeschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 23 augustus 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Bij verzoekschrift van 24 mei 2012, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 25 mei 2012, heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 2012.
Art. 3 lid 4 Wet griffierecht burgerlijke zaken bepaalt dat het griffierecht binnen vier weken na de indiening van het verzoekschrift dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht of ter griffie moet worden gestort. De laatste dag waarop het griffierecht binnen deze wettelijke termijn kon worden betaald, was derhalve 22 juni 2012. Het griffierecht is door [verzoeker] echter eerst op 27 juni 2012 voldaan.
3.2 Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de advocaat van [verzoeker] zich over deze te late betaling uitgelaten en, kort gezegd, een beroep gedaan op de hardheidsclausule van art. 282a lid 4 in verbinding met art. 427b Rv. Daartoe heeft hij gesteld dat hij de nota griffierecht pas op 26 juni 2012 in zijn postbus heeft aangetroffen en vervolgens binnen twee dagen heeft betaald. Eerdere betaling, zonder nota, zou volgens de advocaat geen nut hebben gehad omdat het notanummer vermeld moet worden. Ten slotte heeft hij met een beroep op art. 6 EVRM gesteld dat niet-ontvankelijkverklaring als sanctie wegens niet tijdige betaling onevenredig zwaar is in verhouding tot het verzuim.
3.3 De betalingstermijn en de sanctie bij niet tijdige betaling volgen rechtstreeks uit de wet. Een advocaat bij de Hoge Raad moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de termijn voor betaling en de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan een overschrijding daarvan. Hetgeen door de advocaat van [verzoeker] is aangevoerd met betrekking tot de te late betaling is in het licht hiervan onvoldoende om een beroep op de hardheidsclausule te rechtvaardigen.
Ook kan niet gezegd worden dat niet-ontvankelijkheid een onevenredig zware sanctie op het verzuim is als bedoeld in art. 6 EVRM. [Verzoeker] zal dan ook op grond van het bepaalde in art. 282a lid 2 Rv in verbinding met art. 427b Rv in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Beslissing:
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 30 november 2012.