27 augustus 2013
Strafkamer
nr. 11/02784
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 december 2010, nummer 20/003868-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel komt op tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
(i) een appelakte van 10 november 2009 waarin als adres van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] te [plaats];
(ii) een akte van uitreiking - gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2010 - die inhoudt dat die dagvaarding op 8 november 2010 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats], maar dat deze niet is uitgereikt omdat op dat adres niemand werd aangetroffen en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kan worden afgehaald op het in dat bericht genoemde (post)kantoor of politiebureau; deze akte houdt voorts in dat de dagvaarding op 17 november 2010 met de akte is teruggezonden aan de afzender en op 30 november 2010 aan de griffier van de Rechtbank 's-Hertogenbosch is uitgereikt, alsmede dat de dagvaarding op laatstgenoemde datum per gewone brief is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats];
(iii) een "ID-staat SKDB" van 30 november 2010 welke inhoudt dat de verdachte vanaf 23 januari 2008 in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Breda staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats];
Aan de schriftuur is gehecht een fotokopie van een gewaarmerkt "Bewijs van opneming in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens" van de gemeente Breda van 16 december 2010, inhoudende:
"Naam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam verdachte]
Geboren te: [geboorteplaats]
Op: [geboortedatum] 1985
Sedert 11-09-2008 ingeschreven op het woonadres:
[b-straat 1]
[plaats]"
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 16 december 2010 houdt in dat de verdachte niet is verschenen en dat de aanwezige raadsman heeft meegedeeld dat hij de verdachte "heden" voorafgaand aan de zitting telefonisch heeft gesproken, dat de verdachte - die hem vertelde dat hij herstelde van een neusoperatie - toen pas op de hoogte was van de terechtzitting van heden, en dat de verdachte uitdrukkelijk de juistheid betwist van zijn adresgegevens die staan vermeld op het uittreksel van het GBA-register.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich niet een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Kennelijk heeft het Hof zijn oordeel dat het adres [a-straat 1] te [plaats] het adres is waarop de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven, gebaseerd op de vermelding van dat adres in de – in 2.2 onder (iii) weergegeven - "ID-staat SKDB". Gelet op de inhoud van het - in 2.3 weergegeven - "Bewijs van opneming in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens" en in aanmerking genomen dat er geen reden is aan de betrouwbaarheid van dit document te twijfelen, is die vermelding in de ID-staat niet juist. Derhalve rijst het ernstige vermoeden dat het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, op een onjuiste feitelijke grondslag berust.
Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2013.