10 september 2013
Strafkamer
nr. 12/01496 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Maastricht van 15 mei 2009, nummer 03/500027-09, ingediend door mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, namens:
[aanvraagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvraagster ter zake van het "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan zij weet dat het vervalst is", gepleegd op 30 december 2008, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat de Politierechter destijds niet bekend was met de beschikking van de Minister van Immigratie en Asiel van 23 mei 2011 waarbij de op 9 januari 2009 door de aanvraagster gedane asielaanvraag is ingewilligd.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
4. Beoordeling van de aanvraag
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
De aanvraagster is, nadat zij Nederland was binnengereisd, op 30 december 2008 te Eijsden aangehouden terwijl zij in het bezit was van een vervalst paspoort. Zij is daarvoor op 15 mei 2009 bij het vonnis waarvan thans herziening wordt gevraagd, bij verstek veroordeeld.
Op 9 januari 2009 heeft de aanvraagster een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Op die aanvraag is bij beschikking van de Minister van Immigratie en Asiel van 23 mei 2011 positief beslist in die zin dat haar een verblijfsvergunning asiel is verleend voor de periode van 9 januari 2009 tot 9 januari 2014.
In aanmerking genomen dat een vreemdeling niet behoort te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk is beslist (vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4310, NJ 2013/332), levert het aangevoerde het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware deze hiermee bekend geweest, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de strafvervolging van de aanvraagster ter zake van het onderhavige feit. Derhalve is sprake is van een gegeven als hiervoor onder 4.1 bedoeld zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2013.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.