[aanvraagster]
Nr. 12/01496 H
Mr. Aben
Zitting 9 april 2013
Conclusie inzake:
1. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Maastricht van 15 mei 2009 is de aanvraagster van herziening wegens “in het bezit zijn van een reisdocument waarvan zij weet dat het vervalst is” (te weten bij haar inreis in Nederland op 30 december 2008) veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf.
2. Namens de aanvraagster heeft mr. H. Sytema, advocaat te ‘s-Gravenhage, herziening gevraagd van het onherroepelijke vonnis van de politierechter.
3. In de aanvrage wordt gesteld dat de politierechter niet bekend was met de asielaanvrage die de aanvraagster op 9 januari 2009 te Schiphol heeft gedaan, en niet bekend kan zijn geweest met de inwilliging ervan op 23 mei 2011. Daardoor moet achteraf evident worden beschouwd, aldus de aanvraagster, dat zij onder de bescherming viel van artikel 31 Vluchtelingenverdrag, op grond waarvan het openbaar ministerie geen recht had om haar te vervolgen.
4. Uit nader bekomen inlichtingen blijkt bovendien het volgende. Een strafzaak is eveneens aanhangig gemaakt tegen drie personen, eveneens afkomstig uit Somalië, met wie, naar het zich laat aanzien, de aanvraagster samen reisde en die net als zijzelf op 30 december 2008 op de A2 bij Eijsden werden aangetroffen in het bezit van valse identiteitsbescheiden. Deze strafzaken zijn in hoger beroep geëindigd in een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de grond dat het openbaar ministerie met het oog op artikel 31 Vluchtelingenverdrag (VV) te lichtvaardig is overgegaan tot de strafvervolging wegens het bezit van valse identiteitsbescheiden. Terzijde zij opgemerkt dat deze uitspraken op zichzelf geen gegeven in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c Sv kunnen opleveren.
5. Aarzelingen heb ik bij de vraag of het gegeven dat thans ten grondslag wordt gelegd aan de aanvrage werkelijk tot de niet-ontvankelijkheid zou hebben geleid indien het bekend was geweest bij de rechter die de bestreden veroordeling heeft uitgesproken. In wezen is het zo dat in het procesdossier waarmee de politierechter bekend kan worden verondersteld, reeds een aanzienlijke kans op de thans beoogde uitkomst van de strafzaak (na herziening) besloten lag. De drie uitspraken van het hof ’s-Hertogenbosch, waarvan ik hierboven onder 4 gewag maak, geven voeding aan die gedachte, ofschoon, dat moet ik toegeven, daarin expliciet – doch m.i. slechts terzijde - wordt overwogen dat door de betreffende verdachte een verblijfsvergunning is verkregen. Kortom, in wezen is het thans aangevoerde gegeven (nl. blijkens verblijfsvergunning valt aanvraagster als vluchteling onder de bescherming van art. 31 VV) niet nieuw, maar reeds bekend, en vormt het nieuwe aspect (toegewezen aanvraag verblijfsvergunning asiel) niet het springende punt, maar een bijkomstigheid in verhouding tot de feiten die de politierechter reeds bekend waren.
6. Daardoor heeft het er alle schijn van dat de aanvrage tot herziening in de voorliggende zaak een vorm van termijnloos hoger beroep betreft tegen een kwestieuze uitspraak van de politierechter. Daarvoor is het buitengewone rechtsmiddel van herziening echter niet bedoeld. Een gratieverzoek ligt meer in de rede, en het komt mij alleszins redelijk voor indien die zou worden toegewezen.
Ik wil overigens erkennen dat het thans gepresenteerde gegeven toch in elk geval een bevestiging vormt voor de gedachte dat de aanvraagster de status van vluchteling toekomt. Een van mijn strikte standpunt afwijkend herzieningsoordeel, acht ik dan ook alleszins verdedigbaar.
7. Deze conclusie strekt er niettemin toe dat de aanvrage tot herziening zal worden afgewezen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
n.d.