26 maart 2013
Strafkamer
nr. S 11/04466
SSA/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank Middelburg van 21 februari 2011, nummer 12/715518-10, in de strafzaak tegen:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis wat betreft de verbeurdverklaring.
2. Beoordeling van het ingestelde rechtsmiddel
2.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de betrokkene tenlastegelegd, kort samengevat, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan twee inbraken, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld, door twee of meer verenigde personen gepleegd.
De Rechtbank Middelburg heeft de betrokkene bij vonnis van 21 februari 2011 van de gehele tenlastelegging vrijgesproken. Bij dat vonnis is een inbeslaggenomen personenauto (Volvo 440, groen, kenteken [...]) verbeurdverklaard. Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 31 augustus 2011 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage verstaan dat de betrokkene tegen dat vonnis het rechtsmiddel van beroep in cassatie heeft ingesteld.
2.2. Terecht heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat degene die tegen een rechterlijke uitspraak het verkeerde rechtsmiddel aanwendt, in het algemeen moet worden verondersteld het volgens de wet openstaande rechtsmiddel te hebben willen benutten. De in de overwegingen van het Hof bedoelde rechtspraak betreffende het verkeerde rechtsmiddel tegen uitspraken waarbij de onttrekking aan het verkeer is gelast, kan hier evenwel niet als aanknopingspunt dienen, omdat die maatregel naar luid van art. 36b eerste lid onder 4, Sr in verband met art. 552f Sv ook bij afzonderlijke beschikking kan worden opgelegd, in welk geval beroep in cassatie openstaat.
Nu het Hof heeft vastgesteld dat het rechtsmiddel was gericht tegen een bij vonnis uitgesproken verbeurdverklaring, en de betrokkene ten tijde van de behandeling van het beroep geen verdachte of veroordeelde was, had het Hof het rechtsmiddel moeten aanmerken als een beklag dat door een belanghebbende, niet zijnde de verdachte of veroordeelde, binnen de in art. 552b, tweede lid, Sv genoemde termijn is ingesteld tegen het vonnis waarbij de verbeurdverklaring is uitgesproken. Zodanig beklag wordt volgens art. 552b, tweede lid, Sv behandeld door het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg beslissingen heeft genomen, in dit geval dus de Rechtbank Middelburg.
2.3. De Hoge Raad verstaat het namens de betrokkene ingestelde hoger beroep als een tijdig ingediend klaagschrift tegen de verbeurdverklaring, en zal bepalen dat de stukken van het geding naar de griffier van de Rechtbank
Zeeland-West-Brabant locatie Middelburg worden gezonden, opdat de Rechtbank de zaak op het bestaande klaagschrift zal berechten en afdoen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
bepaalt dat de stukken van het geding naar de griffier van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant locatie Middelburg worden gezonden, opdat de Rechtbank de zaak op het bestaande klaagschrift zal berechten en afdoen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 maart 2013.