11 juli 2014
Eerste Kamer
nr. 14/02595
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te Amersfoort,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. S.M. Singh.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 265188/FT RK 13-1091 van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2014;
b. het arrest in de zaak HV 200.144.599/01 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het beroep in cassatie is vervat in een verzoekschrift dat niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Ingevolge art. 426a lid 1 Rv moet [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 11 juli 2014.