Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. De rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 28 maart 2013 op verzoek van ABN AMRO Bank N.V. verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) in staat van faillissement verklaard.
2. Bij vonnis van 17 maart 2014 heeft de rechtbank het verzoek van [verzoekster] om ex art. 15b Fw haar faillissement op te heffen en om te zetten in een schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe ex art. 288 lid 1 sub b Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van (een deel van) haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
3. [verzoekster] is van laatstgenoemd vonnis van de rechtbank bij het hof ’s-Hertogenbosch in hoger beroep gekomen.
4. Bij arrest van 8 mei 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
5. [verzoekster] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 16 mei 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
6. Voornoemd verzoekschrift is ondertekend en ingediend door mr. S.M. Singh, advocaat te Amsterdam. Mr. Singh is echter geen advocaat bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift voldoet dan ook niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, ingevolge welke bepaling beroep in cassatie wordt ingesteld bij een verzoekschrift, dat wordt getekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek brengt in beginsel mee dat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7. Bij arrest van 10 juli 2009 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het verzuim om in het verzoekschrift advocaat te stellen, kan worden hersteld doordat binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. In dat geval zal als de dag waarop de zaak is aangebracht gelden de dag waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.
8. In casu heeft een medewerker van de griffie van de Hoge Raad op 20 mei 2014 telefonisch contact opgenomen met mr. Singh en haar op voornoemde herstelmogelijkheid gewezen. De termijn van twee weken na 16 mei 2014 is echter verstreken zonder dat herstel heeft plaatsgevonden, zodat [verzoekster] in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
9. Gelet op het voorgaande ten overvloede merk ik op dat het cassatiemiddel niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv daaraan te stellen eisen, aangezien het nalaat met bepaaldheid en precisie te vermelden tegen welke oordelen van het hof het is gericht.
10. Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G