25 november 2014
Strafkamer
nr. S 14/01759 B
LBS/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, van 17 januari 2014, nummer Rk 13/2140, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Bij klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingekomen ter griffie van de Rechtbank Oost-Brabant op 15 november 2013, heeft de klaagster om teruggave verzocht van een op 28 augustus 2013 onder [betrokkene] inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.640,-, daartoe stellende dat dat geld haar toebehoort. De Rechtbank heeft bij de bestreden beschikking het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard.
Uit door de Hoge Raad op de voet van art. 83 RO ingewonnen inlichtingen blijkt dat [betrokkene] op 30 december 2013 door de Rechtbank Oost-Brabant is veroordeeld en dat de Rechtbank het geldbedrag van € 2.640,-, waarvan de klaagster teruggave verzoekt, verbeurd heeft verklaard. Tegen dit vonnis is door [betrokkene] hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep vervolgens op 27 januari 2014 is ingetrokken, zodat het vonnis van de Rechtbank onherroepelijk is.
Het volgende moet worden vooropgesteld. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat, indien het gerecht dat bevoegd is tot afdoening van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv constateert dat sedert de indiening daarvan de desbetreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer, dit klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. Indien evenbedoeld gerecht, gelet op het tweede lid van dat artikel, niet bevoegd is tot behandeling van het aldus opgevatte klaagschrift dient het te bepalen dat de griffier de stukken zal zenden naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht (vgl. HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284, NJ 1994/263).
In dit geval is het vonnis met daarin de verbeurdverklaring van het geldbedrag eerst in de cassatiefase van de beklagzaak onherroepelijk geworden. Ook voor die situatie heeft te gelden dat het klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. De Hoge Raad zal met vernietiging van de bestreden beschikking de zaak voor verdere afdoening en behandeling verwijzen naar het ingevolge het tweede lid van art. 552b Sv bevoegde gerecht.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, het middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
bepaalt dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2014.