“Inleiding
(…)
De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven nu het, gelet op haar financiële situatie, niet duidelijk is of dit geld aan klaagster toebehoort en tevens ten behoeve van een te verwachte verbeurdverklaring in de strafzaak tegen [betrokkene].
De beoordeling
(…)
De raadsman stelt zich op het standpunt dat voornoemde geldbedrag spaargeld betreft dat aan klaagster toebehoort, gelet op het patroon van de geldopnames door cliënt en het feit dat zij direct na de inbeslagname concreet de hoogte van het bedrag en de locatie ervan heeft aangegeven.
De rechter is van oordeel, gelet op het feit dat klaagster schulden heeft en het niet duidelijk is waar het geld vandaan komt, dat het belang van strafvordering zich op dit moment nog verzet tegen teruggave, nu het naar haar oordeel niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend in de strafzaak tegen [betrokkene], het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.
DE BESLISSING
De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.”
Het middel heeft een punt daar waar het klaagt dat de Rechtbank niet expliciet heeft vastgesteld welke wettelijke bepaling de grondslag vormde voor het beslag. Echter, uit de overwegingen van de Rechtbank kan duidelijk worden afgeleid dat zij de toetsingsmaatstaf ex art. 94 Sv heeft aangelegd. Dat de Rechtbank er vanuit is gegaan dat onder klaagster op basis van art. 94 Sv beslag is gelegd, is niet onbegrijpelijk. Immers, uit de stukken van het geding, zoals de kennisgeving van inbeslagneming en de conclusie OM van 13 januari 2014 blijkt evident dat het gaat om beslag gelegd op de voet van art. 94 Sv. In feitelijke aanleg was dit kennelijk ook voor alle partijen duidelijk, deze kwestie is immers niet tijdens de behandeling in raadkamer aan de orde gesteld. In cassatie kan er aldus van worden uitgegaan dat het hier om een ex art. 94 Sv gelegd beslag gaat.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich in casu verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klaagster. Daarbij heeft de Rechtbank klaarblijkelijk in aanmerking genomen hetgeen door de Officier van Justitie in raadkamer naar voren is gebracht, aangezien zij aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd het feit dat klaagster schulden heeft en dat het niet duidelijk is geworden waar het geld vandaan komt. Met die overwegingen heeft de Rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding het voortduren van het beslag vordert. Aldus verstaan heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd voor beslag ex art. 94 Sv en deze niet onbegrijpelijk toegepast. Het oordeel van de Rechtbank, dat afhankelijk is van waarderingen en vaststellingen van feitelijke aard en in cassatie slechts marginaal kan worden getoetst, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, óók gelet op hetgeen namens klaagster in raadkamer is aangevoerd. Tot een nadere motivering was de Rechtbank, anders dan de steller van het middel wil, niet gehouden. Nu dat oordeel de beslissing van de Rechtbank dat het klaagschrift ongegrond wordt verklaard zelfstandig kan dragen, behoeft de klacht dat de Rechtbank haar oordeel dat ‘het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend (…), het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren’ ontoereikend heeft gemotiveerd, geen bespreking.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG