18 maart 2014
Strafkamer
nr. 12/04381
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 27 augustus 2012, nummer 21/000131-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal N. Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt over de betekening van de appeldagvaarding.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:
"De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
wonende te 1075 PR Amsterdam, Havenstraat 6,
is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr J. Sietsma, advocaat te Amsterdam.
De raadsman verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:
Ik ben niet door cliënt gemachtigd de verdediging te voeren. Ik heb mijn cliënt niet kunnen bereiken.
Het hof stelt vast dat blijkens de ID-staat SKDB verdachte vanaf 11 mei 2012 staat ingeschreven op het adres Havenstraat 6 te Amsterdam en dat de dagvaarding op dat adres op 5 juli 2012 aan een huisgenoot is uitgereikt en dat derhalve de dagvaarding van verdachte op juiste wijze is uitgereikt.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Daarin heeft het Hof de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
(i) een akte uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2012, welke inhoudt dat de dagvaarding op 5 juli 2012 op het adres Havenstraat 6, 1075 PR te Amsterdam is uitgereikt aan [betrokkene]/een huisgenoot.
(ii) een aan het dubbel van die dagvaarding gehecht verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 7 augustus 2012, dat inhoudt dat de verdachte niet is gedetineerd en dat als huidig GBA-adres vermeldt: Havenstraat 6, 1075 PR te Amsterdam.
Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat op voornoemd adres, alwaar de verdachte kennelijk verbleef ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep, een onderdeel van de Penitentiaire Inrichting Amsterdam was gevestigd.
Indien de verdachte in Nederland is gedetineerd in verband met de strafzaak waarop de dagvaarding betrekking heeft, moet de dagvaarding aan hem in persoon worden uitgereikt (art. 588, eerste lid sub a, Sv). Niet naleving van dit voorschrift leidt tot nietigheid van de dagvaarding (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317).
Uit het voorgaande volgt dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep heeft plaatsgevonden niet aan de verdachte in persoon maar aan een ander die zich op voornoemd adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen.
Die uitreiking is derhalve strijdig met art. 588, eerste lid sub a, Sv zodat de betekening nietig is. Het oordeel van het Hof dat de dagvaarding van verdachte op de juiste wijze is uitgereikt, is derhalve onjuist.
Het middel is dus terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2014.