ECLI:NL:HR:2015:1237

ECLI:NL:HR:2015:1237, Hoge Raad, 12-05-2015, 13/02326

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 12-05-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/02326
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2015:585
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 7 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0001941 BWBR0005289 BWBR0008804

Samenvatting

Na het tussenarrest van de HR (ECLI:NL:HR:2015:133) heeft de AG bij de HR aanvullend geconcludeerd. Mishandeling. Art. 300 Sr. Onder ‘mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr moet niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn - zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat -, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam. Het middel steunt op de opvatting dat voor de kwalificatie ‘mishandeling’ is vereist dat in de bewezenverklaring overeenkomstig de tll. met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht dat het toebrengen van pijn, letsel of onlustgevoelens ‘mishandelend’ of ‘wederrechtelijk’ is geschied. Die opvatting is echter niet juist.

Uitspraak

12 mei 2015

Strafkamer

nr. 13/02326

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 februari 2013, nummer 22/002131-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:133, geoordeeld dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over het tweede middel.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

Het middel klaagt dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als 'medeplegen van mishandeling'.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"zij op 21 augustus 2009 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon te weten [betrokkene 1]

- meermalen in het gezicht en tegen het hoofd heeft gestompt en geslagen en

- meermalen aan de haren heeft getrokken en

- meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt terwijl [betrokkene 1] op de grond lag, waardoor voornoemde [betrokkene 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde onder aanhaling van art. 300 Sr gekwalificeerd als "medeplegen van mishandeling".

Onder 'mishandeling' in de zin van art. 300 Sr moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn alsmede - onder omstandigheden - het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. (Vlg. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402.)

Het middel steunt op de opvatting dat voor de kwalificatie 'mishandeling' is vereist dat in de bewezenverklaring overeenkomstig de tenlastelegging met zoveel woorden tot uitdrukking is gebracht dat het toebrengen van pijn, letsel of onlustgevoelens 'mishandelend' of 'wederrechtelijk' is geschied. Die opvatting is echter niet juist.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 268 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 261 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2015.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2015/1008 RvdW 2015/656 SR-Updates.nl 2015-0217
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?