27 maart 2015
Eerste Kamer
15/00147
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],wonende te [woonplaats],
KLAGER.
1. Het beklag
Klager heeft op 4 juni 2014 aangifte gedaan van strafbare feiten die naar zijn mening zijn gepleegd door de landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket, door het Openbaar Ministerie, door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en door de minister van Financiën. Bij brief van 7 juli 2014 heeft de hoofdofficier van justitie aan klager laten weten niet tot vervolging van genoemde personen/instanties over te gaan.
Klager heeft bij brief van 11 juli 2014, aangevuld bij brief van 18 juli 2014, hierover beklag gedaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit hof heeft de zaak op grond van art. 62b Wet op de rechterlijke organisatie (RO) verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Laatstgenoemd hof heeft het beklag afgewezen voor zover het was gericht tegen de hoofdadvocaat-generaal, het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Voor zover het beklag was gericht tegen de minister van Financiën heeft het hof zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de Hoge Raad.
De beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is aan deze beschikking gehecht.
Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
Klager heeft bij brief op dat verslag gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
Ingevolge art. 119 Grondwet en art. 76 RO staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet; art. 4 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een minister van Financiën gepleegd ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 maart 2015.