ECLI:NL:PHR:2015:30

ECLI:NL:PHR:2015:30, Parket bij de Hoge Raad, 23-01-2015, 15/00147

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 23-01-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/00147
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2015:764
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0001903

Samenvatting

Ambtsmisdrijven; art. 119 Gw, art. 76 RO, art. 483 leden 1 en 2 Sv. Kennelijk niet-ontvankelijk beklag over niet vervolgen minister. Hoge Raad niet bevoegd om vervolging te bevelen.

Uitspraak

15/00147

Mr. F.F. Langemeijer

23 januari 2015 (beklag art. 12/13a Sv)

Verslag inzake het beklag van:

[klager]

1. De feiten en het procesverloop

Op 4 juni 2014 heeft klager bij de politie Haaglanden aangifte gedaan van strafbare feiten die naar zijn mening zijn gepleegd door mr. H. Moraal in zijn hoedanigheid van landelijk hoofdadvocaat-generaal bij de ressortsparketten, door het Openbaar Ministerie, door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en door ir. J.R.V.A. Dijsselbloem in zijn hoedanigheid van minister van Financiën. Het proces-verbaal van aangifte is gezonden naar de hoofdofficier van justitie te Den Haag, die op 7 juli 2014 aan klager heeft laten weten deze aangifte niet verder in behandeling te nemen omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een nader onderzoek.

Klager heeft op 11 juli 2014, met een aanvulling op 18 juli 2014, hierover beklag gedaan bij het gerechtshof Den Haag op de voet van art. 12 Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit hof heeft bij beschikking van 12 augustus 2014 (K 14/0367) de zaak op grond van art. 62b Wet op de rechterlijke organisatie (RO) verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Bij beschikking van 16 december 2014 (nr. 14/0775) heeft dat hof het beklag afgewezen voor zover dit was gericht tegen de hoofdadvocaat-generaal, het Openbaar Ministerie en het ministerie van Veiligheid en Justitie. Voor zover het beklag was gericht tegen minister van Financiën heeft het hof zich onbevoegd verklaard en de zaak in zoverre verwezen naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het klaagschrift in handen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad gesteld voor het uitbrengen van een verslag.

2. Bespreking van het beklag

Op grond van art. 119 Grondwet en art. 76 RO neemt de Hoge Raad, ook na hun aftreden, in eerste instantie en tevens in hoogste ressort kennis van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal. De procedure is geregeld in art. 483 Sv in verbinding met de art. 4 - 19 van de nog steeds geldende Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriëele Departementen. Betreft een beklag als bedoeld in art. 12 Sv een strafbaar feit waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt, dan geldt hetgeen in de artikelen 12 - 12j Sv voorkomt ten aanzien van de Hoge Raad en zijn leden, respectievelijk ten aanzien van de procureur-generaal, en is de Hoge Raad bevoegd tot kennisneming van het beklag (art. 13a Sv). Een vervolging van een minister ter zake van ambtsdelicten als bedoeld in art. 119 Grondwet en art. 76 RO is slechts mogelijk nadat daartoe last is gegeven bij Koninklijk Besluit of bij besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Klager heeft vervolging van de minister van Financiën verzocht ter zake van ambtsmisbruik; in de aangifte en in de beschikking van 16 december 2014 is dit nader omschreven. Hieruit heeft het hof terecht de gevolgtrekking gemaakt dat klager een vervolging van de minister wenst ter zake van een ambtsdelict als bedoeld in art. 119 Grondwet en art. 76 RO. In dit geval is niet bij Koninklijk Besluit of besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de daarvoor noodzakelijke last tot vervolging gegeven. Er bestaat geen aanwijzing dat binnenkort zo’n last alsnog zal worden gegeven. Bij gebreke van de vereiste last tot vervolging kan klager naar vaste rechtspraak niet worden ontvangen in zijn beklag, voor zover betrekking hebbend op de minister van Financiën.

Op de grond dat het beklag kennelijk niet-ontvankelijk is, kan van oproeping van klager worden afgezien.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag, voor zover betrekking hebbend op het niet vervolgen van de minister van Financiën.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. – g.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?