15 november 2016
Strafkamer
nr. S 16/01107 UA
EC/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een einduitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 3 september 2015, nummer HAR 121/13; HAR 121/14, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon 3] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het advies aan de Gouverneur van Curaçao tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika over te gaan en tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de procureur-generaal van Curaçao tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika.
2. Beoordeling van het vierde middel
Het middel klaagt dat art. 6 EVRM en art. 14 en 15 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn geschonden, doordat het Hof zijn advies heeft gericht aan zowel de Gouverneur van Curaçao als de Gouverneur van Sint Maarten.
Blijkens de toelichting steunt het middel op de opvatting dat, nu het aan Curaçao gerichte verzoek om uitlevering van de opgeëiste persoon reeds in behandeling was genomen, het Hof hetzelfde vervolgens aan Sint Maarten gedane verzoek om uitlevering niet in behandeling had mogen nemen en zijn advies enkel had dienen te richten aan de Gouverneur van Curaçao. Die opvatting is onjuist, zodat het middel faalt.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De bestreden uitspraak vermeldt dat het daarin vervatte advies van het Hof is gericht "aan de Gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten". De Hoge Raad verstaat de bestreden uitspraak aldus dat het advies is gericht aan de Gouverneur van Curaçao voor het geval dat de opgeëiste persoon in dat land wordt aangetroffen en dat het is gericht aan de Gouverneur van Sint Maarten voor het geval dat de opgeëiste persoon in dat land wordt aangetroffen.
Het Hof heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging "ter zake van voornoemde feiten".
De bestreden uitspraak behelst evenwel niet een omschrijving van "voornoemde" feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de feiten die zijn omschreven in na te noemen door de verzoekende Staat bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, genoegzaam te vermelden;
verklaart de uitlevering toelaatbaar voor de feiten zoals omschreven in de (supplemental) Affidavit in support of request for extradition, van R. Capone, Assistent United States Attorney of the Southern District of New York, van 21 oktober 2013, 27 november 2013 en 18 juni 2014.
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2016.