CONCLUSIE EN ADVIES
Het Hof:
1. concludeert dat op grond van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, en de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van 29 september 2004, alsmede op grond van het Uitleveringsbesluit Aruba, Curaçao en Sint Maarten, de uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op vervolging in de Verenigde staten van Amerika toelaatbaar is;
2. adviseert om ter zake van voornoemde feiten tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika over te gaan.”
In het middel wordt betoogd dat het hof, door te overwegen dat het niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van de verdediging dat sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM omdat die beoordeling aan respectievelijk de gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten is, het verweer van de verdediging op onjuiste gronden heeft verworpen.
Om te beoordelen of de steller van het middel een punt heeft is het volgende van belang. Indien er wordt aangevoerd dat er sprake is van mensenrechtenschendingen bij een vervolgingsuitlevering, geldt er een taakverdeling tussen de gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten en de uitleveringsrechter, het Gemeenschappelijk Hof. De uitleveringsrechter beoordeelt de toelaatbaarheid van de uitlevering en de betrokken gouverneur neemt de definitieve beslissing over de uitlevering, zij het dat hij gebonden is aan een advies waarin de uitlevering ontoelaatbaar wordt geacht. De gouverneur kan ondanks een advies de opgeëiste persoon uit te leveren, toch beslissen het uitleveringsverzoek niet in te willigen, bijvoorbeeld als er sprake is van een dreigende schending van mensenrechten. In dat verband kan hij aan de verzoekende staat garanties vragen om een dergelijke schending te voorkomen. Ik beperk me hier tot de taakverdeling tussen de gouverneur en de uitleveringsrechter bij een (dreigende) schending van art. 6 EVRM, nu deze in onderhavige zaak aan de orde gesteld is.
De vraag of het gaat om een (voltooide) schending van art. 6 EVRM, moet in beginsel beoordeeld worden door de strafrechter van de verzoekende staat en niet door de uitleveringsrechter. Dat komt omdat in de uitleveringsprocedure het vertrouwensbeginsel voorop wordt gesteld op grond waarvan wordt aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende staat de opgeëiste persoon in staat stelt een beroep op een mensenrechtenschending aan de rechter van de verzoekende staat voor te leggen en dat deze daar dan ook een oordeel over geeft. Met andere woorden: aan de inhoudelijke toetsing van het verweer, dat sprake is van een reeds voltooide schending van artikel 6 EVRM, kan de uitleveringsrechter dus niet toekomen. Hoewel de Hoge Raad zich over de ratio van deze regel niet expliciet heeft uitgelaten, schrijft Glerum in zijn proefschrift dat deze (mogelijk) is ingegeven door het feit, dat bij een vervolgingsuitlevering een definitieve schending van art. 6 EVRM zich in het algemeen pas bij de uitspraak van de rechter in de verzoekende staat zal realiseren, namelijk als in die procedure de gevolgen van een schending niet worden weggenomen of gecompenseerd. Dus zolang een mensenrechtenschending herstelbaar is, en dat is bij een schending van art. 6 EVRM vrijwel altijd het geval, dan is het niet aan de uitleveringsrechter hier een oordeel over te vellen, maar ligt deze beoordeling bij de gouverneurs, die aan de verzoekende staat garanties kunnen vragen om een eventuele schending te compenseren.
Alleen als herstel niet mogelijk is, vanwege het ontbreken van een daadwerkelijk rechtsmiddel in de verzoekende staat, is de uitleveringsrechter bevoegd de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren op grond van het risico van flagrante schending van art. 6 EVRM. Ik heb hier het woord risico onderstreept omdat de vraag of er daadwerkelijk en uiteindelijk sprake zal zijn van een schending van art. 6 EVRM zoals hiervoor weergegeven in principe ter beoordeling van de rechter van de aangezochte staat is. Bij de beoordeling of dat risico reëel is, moeten er twee hordes worden genomen. In de eerste plaats moet blijken dat er een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM dreigt en in de tweede plaats moet komen vast te staan dat een effectief rechtsmiddel ontbreekt. Van een risico op een flagrante inbreuk op enig ingevolge artikel 6 EVRM aan de opgeëiste persoon toekomend recht is dus pas sprake als de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel tot zijn beschikking heeft een dergelijke schending af te wenden.
Gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader getuigt de overweging van het hof dat het niet kan toekomen aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM niet van een onjuiste rechtsopvatting. Een definitief oordeel daarover komt immers niet aan de uitleveringsrechter toe. Het hof heeft zich ook uitgelaten over de vraag of is gebleken dat [de opgeëiste persoon 3] door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht. Het kon daarbij oordelen dat de raadsvrouw daartoe – afgezien van de aangedragen feiten en omstandigheden op grond waarvan er sprake zou zijn van onrechtmatige bewijsgaring en waarover het hof onbevoegd was een oordeel te vellen – onvoldoende argumenten had aangedragen. Het hof hoefde om die reden ook niet toe te komen aan de vraag of is komen vast te staan dat [de opgeëiste persoon 3] na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk.
Daaraan wil ik nog toevoegen dat ook indien in casu daadwerkelijk sprake is geweest van de uitlokking van enig strafbaar feit, kan worden betwijfeld of deze uitlokking maakt dat zich ten aanzien van [de opgeëiste persoon 3] een ‘flagrant denial of justice’ in de door het EHRM gehanteerde zin heeft voorgedaan. Nu er bij een vervolgingsuitlevering geen sprake is van een door de rechter afgesloten strafvervolging, hetgeen wel het geval is in de Straatsburgse jurisprudentie waarnaar de steller van het middel verwijst, kan immers op voorhand niet worden vastgesteld dat er sprake is van een oneerlijk proces.
Voor het aannemen van een flagrante schending van artikel 6 EVRM stelt het EHRM bovendien zeer strenge eisen die het in de zaak Othman t. V.K. als volgt heeft omschreven:
“259. In the Court's case-law, the term ‘flagrant denial of justice’ has been synonymous with a trial which is manifestly contrary to the provisions of Article 6 or the principles embodied therein (Sejdovic v. Italy [GC], no. 56581/00, § 84, ECHR 2006-II; Stoichkov, cited above, § 56, Drozd and Janousek cited above, § 110). Although it has not yet been required to define the term in more precise terms, the Court has nonetheless indicated that certain forms of unfairness could amount to a flagrant denial of justice. These have included:
- conviction in absentia with no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge (Einhorn, cited above, § 33; Sejdovic, cited above, § 84; Stoichkov, cited above, § 56);
- a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence (Bader and Kanbor, cited above, § 47);
- detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality the detention reviewed (Al-Moayad, cited above, §101);
- deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a foreign country (ibid.).
260. It is noteworthy that, in the twenty-two years since the Soering judgment, the Court has never found that an expulsion would be in violation of Article 6. This fact, when taken with the examples given in the preceding paragraph, serves to underline the Court's view that ‘flagrant denial of justice’ is a stringent test of unfairness. A flagrant denial of justice goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State itself. What is required is a breach of the principles of fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article.”
Wat betreft de stellingen van de raadsvrouw over schending van de uit de Salduz-rechtspraak van het EHRM voortvloeiende rechten van [de opgeëiste persoon 3] geldt ten slotte, dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden, nu in de toelichting op het middel in het geheel niet nader op deze stellingen en de verwerping daarvan door het hof wordt ingegaan.
Het middel faalt.
8. Het derde middel stelt aan de orde dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek of ambtshalve nader onderzoek te doen naar de door de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] gestelde reeds voltooide schending van art. 6 EVRM.
Blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2015 (zie blz. 2) en de daaraan gehechte pleitnota (zie blz. 12-15), heeft de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] op de genoemde zitting aan het hof verzocht om nader onderzoek in te stellen naar de door de Amerikaanse autoriteiten ingezette bijzondere opsporingsmethoden en in dat kader een drietal getuigen te doen horen. Daarbij ging het er de raadsvrouw met name om nadere duidelijkheid te verkrijgen over de precieze rol van de als ‘CC-1’, ‘CC-2’ en ‘CC-3’ aangeduide personen die blijkens de inhoud van de ‘Affidavit in support of request for extradition’ van 21 oktober 2013 in de onderhavige zaak bij de opsporing van [de opgeëiste persoon 3] als ‘co-conspirators’ zijn ingezet.
Met betrekking tot het genoemde verzoek heeft het hof in het bestreden advies het volgende overwogen:
“6.5 Tot slot is het Hof van oordeel dat de verzoeken die de raadsvrouw heeft gedaan tot het horen van getuigen en het overleggen van stukken dienen te worden afgewezen aangezien deze naar het oordeel van het hof eveneens vallen binnen het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewijsgaring.”
De steller van het middel wijst er terecht op dat de uitleveringsrechter met betrekking tot een gestelde inbreuk op het recht op een eerlijk proces onder omstandigheden een zelfstandige onderzoekplicht heeft. In de toelichting op het middel wordt in dit verband verwezen naar een arrest van de Hoge Raad dat betrekking heeft op een gestelde foltering. Omdat het dan gaat om een absolute weigeringsgrond geldt daarbij een stringentere onderzoekplicht, die niet één op één van toepassing kan worden geacht bij een andersoortige schending van het recht op een eerlijk proces.
In hetgeen hierboven bij de bespreking van het tweede middel is opgemerkt ligt al besloten, dat het hof het verzoek tot nader onderzoek in de onderhavige zaak kon afwijzen zoals het dat heeft gedaan. Het hof heeft geoordeeld – en ook kunnen oordelen – dat de stellingen van de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] over de door de Amerikaanse autoriteiten gebruikte opsporingsmethoden niet voldoende zijn om een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat de uitleveringsrechter zich niet uitlaat over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. De afwijzing door het hof van het verzoek tot nader onderzoek is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
Ook het derde middel faalt.
9. Het vierde middel is gebaseerd op een curieus aspect van onderhavige uitleveringsprocedure(s), namelijk dat het Gemeenschappelijk Hof in één advies heeft beslist op twee, op dezelfde feiten betrekking hebbende, uitleveringsverzoeken van de Verenigde Staten gericht aan de gouverneurs van Curaçao en Sint Maarten. De vraag wordt opgeworpen welke gevolgen aan een dergelijke gang van zaken moeten worden verbonden nu daardoor binnen het Koninkrijk meerdere uitleveringsverzoeken aanhangig worden gemaakt die op dezelfde persoon en dezelfde feiten betrekking hebben, maar tot verschillende landen binnen het Koninkrijk zijn gericht.
Zoals hiervoor onder 4 reeds is weergegeven zijn in de onderhavige zaak door de Verenigde Staten van Amerika op de voet van art. 11 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111) twee grotendeels gelijkluidende verzoeken tot uitlevering van [de opgeëiste persoon 3] gedaan, waarvan er één – een verzoek van 11 september 2013 – was gericht aan de advocaat-generaal van Sint Maarten en één – een verzoek van 1 oktober 2013 – aan de procureur-generaal van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Naar aanleiding van het laatstgenoemde verzoek is op 26 november 2013 door de fungerend procureur-generaal van Curaçao een vordering tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten ingediend bij het hof, welke vordering in eerste instantie heeft geresulteerd in het later gecasseerde advies van het hof van 6 februari 2014. Op 22 juli 2014 – dat wil zeggen: in de periode tussen het eerste advies van het hof in de Curaçaose zaak en het arrest van de Hoge Raad in diezelfde zaak van 10 februari 2015 – heeft de fungerend procureur-generaal van Sint Maarten naar aanleiding van het aan de advocaat-generaal van Sint Maarten gerichte uitleveringsverzoek van 11 september 2013 een nieuwe vordering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit bij het hof ingediend. Deze nieuwe vordering is door het hof voor het eerst behandeld op de terechtzitting van 6 november 2014, waarna het hof in een beslissing van 20 november 2014 heeft bepaald dat de behandeling pas na het arrest van de Hoge Raad in het cassatieberoep in de Curaçaose zaak zou worden voortgezet.
Na de terugwijzing van de Curaçaose zaak door de Hoge Raad, heeft het hof de Curaçaose zaak en de zaak van Sint Maarten op de zitting van 20 augustus 2015 gelijktijdig behandeld en vervolgens met betrekking tot deze twee zaken één enkel – aan zowel de gouverneur van Curaçao als de gouverneur van Sint Maarten gericht – advies als bedoeld in art. 8, tweede lid, van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten gegeven.
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof hiermee in strijd heeft gehandeld met het systeem van het uitleveringsrecht, aangezien de uitlevering krachtens art. 3, eerste lid aanhef en onder h, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden een aangelegenheid van het Koninkrijk is en hiermee niet valt te rijmen dat binnen het Koninkrijk tegelijkertijd twee verschillende uitleveringsverzoeken met betrekking tot dezelfde feiten en dezelfde opgeëiste persoon in behandeling worden genomen. Daarbij heeft het hof in zijn advies, dat zowel gericht is aan de gouverneur van Curaçao als aan de gouverneur van Sint Maarten zich niet uitgelaten over de vraag wie van beide bevoegd is om over de uitlevering te beslissen, wie van hen garanties moet vragen als dat nodig zou zijn en wat de gevolgen zijn wanneer de gouverneurs ten aanzien daarvan uiteenlopende standpunten huldigen. Het belang van [de opgeëiste persoon 3] bij het cassatieberoep is dat hij moet weten wie bevoegd is te beslissen over de uitlevering en tegen wiens beslissing hij zich eventueel moet verweren.
Tot slot wordt de stelling betrokken dat het tweede uitleveringsverzoek niet in behandeling had mogen worden genomen. Ik vat dit zo op, dat er bedoeld wordt te klagen dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de procureur-generaal van Sint Maarten niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
De eerste vraag die voor de beoordeling van het middel moet worden beantwoord, is of het aan het middel ten grondslag liggende uitgangspunt juist is, dat nu uitlevering krachtens art. 3, eerste lid aanhef en onder h, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden een Koninkrijksaangelegenheid is, dit tot gevolg heeft dat niet gelijktijdig zou kunnen worden beslist op twee materieel gelijkluidende uitleveringsverzoeken gedaan aan twee verschillende landen binnen het Koninkrijk.
Voor de beantwoording hiervan kan inspiratie worden gezocht in het (reeds bij de bespreking van het eerste middel aangehaalde) civiele arrest van de Hoge Raad van 7 november 2003, waarin aan de orde was of gelet op het bepaalde in art. 3 lid 1, sub h van het Statuut, de uitlevering door middel van een voor alle landen binnen het Koninkrijk gelijkluidende wet zou moeten worden geregeld. Art. 14 van het Statuut bepaalt dat “regelen omtrent aangelegenheden van het Koninkrijk” bij rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur worden vastgesteld. In dat verband werd door de eiser in cassatie gesteld dat het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit onverbindend was, onder andere, omdat het (toen) niet voorzag in de mogelijkheid van cassatieberoep, waarin de in Nederland geldende Uitleveringswet wel voorziet. De stelling was dat daardoor de onderdanen van verschillende delen van het Koninkrijk verschillend werden behandeld en er sprake was van een schending van art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR. Ook hier ging het om een uitlevering aan de Verenigde Staten (door Aruba). In dit verband heeft de Hoge Raad in zijn arrest het volgende overwogen:
“ 3.4.2. […] art. 14 Statuut laat [ruimte] voor verschillende regelingen in verschillende landen van het Koninkrijk, en […] de omstandigheid dat uitlevering een aangelegenheid van het Koninkrijk is, dwingt [niet] tot een in de drie landen inhoudelijk gelijke wetgeving of althans een inhoudelijk gelijk stelsel van rechtsmacht en rechtsmiddelen. Hieraan doet niet af dat het Koninkrijk partij is bij genoemde verdragen en niet de afzonderlijke landen. Het is immers niet ongebruikelijk en deze verdragen staan ook niet eraan in de weg dat binnen het rechtsgebied van een partij bij het EVRM of het IVBPR voor bepaalde onderwerpen de rechtsregels in verschillende delen van dit rechtsgebied verschillend zijn.”
Ik leid hieruit af dat als het gaat over de uitleveringsprocedure de verschillende landen van het Koninkrijk met inachtneming van hetgeen daarover in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is bepaald, als afzonderlijke jurisdicties moeten worden beschouwd. Weliswaar is de uitleveringsprocedure in Aruba, Curaçao en Sint Maarten in een voor alle drie de landen geldend Uitleveringsbesluit geregeld en wordt de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering beoordeeld door het Gemeenschappelijk Hof en in cassatie getoetst door de Hoge Raad, voor het overige is de positie van Aruba Curaçao en Sint Maarten in het kader van de uitleveringsprocedure vergelijkbaar met ieder ander land. Steun voor deze benadering kan ook gevonden worden in de tekst van het Uitleveringsbesluit, waarin in art. 1 is bepaald dat onder de “Gouverneur” respectievelijk de “procureur-generaal” en “openbaar ministerie” steeds wordt verstaan de gouverneur respectievelijk de procureur-generaal en het openbaar ministerie van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Bovendien hebben alle betrokken landen een eigen Wetboek van Strafrecht en Strafvordering, waarin de bepalingen onderling van elkaar kunnen verschillen.
Als van het bovenstaande wordt uitgegaan, zou ik niet weten wat er aan in de weg staat, dat een verzoekende staat een verzoek tot uitlevering ter zake van dezelfde feiten en dezelfde persoon aan meerdere landen binnen het Koninkrijk richt en dat het Gemeenschappelijk Hof, als deze verzoeken gericht zijn tot Aruba, Curaçao en Sint Maarten, hierover een advies geeft. Het hof moet immers slechts beoordelen of deze verzoeken toelaatbaar zijn en nergens is bepaald dat het hof tevens zou moeten aangeven welke gouverneur bevoegd is de beslissing tot uitlevering te nemen. Wat dat betreft vraag ik mij ook af of de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof om de uitleveringsdetentie in de Sint Maartense zaak op te heffen, wel goed gemotiveerd is. Maar die beschikking is in onderhavige zaak niet aan de orde en de vraagtekens die hierbij kunnen worden gesteld laat ik dan ook voor wat ze zijn.
Er doet zich wel een ander probleem voor, waarvan ik mij heb afgevraagd of de Hoge Raad daarover ambtshalve een oordeel zou moeten vellen. Dit heeft te maken met de verblijfplaats van [de opgeëiste persoon 3] ten tijde van de behandeling van de twee vorderingen tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering bij het Gemeenschappelijk Hof. Het gaat daarbij niet zozeer om de vraag of deze twee verzoeken gelijktijdig aan Curaçao en Sint Maarten kunnen worden gedaan, maar aan de hand van welke maatstaven deze verzoeken door het Gemeenschappelijk Hof moeten worden beoordeeld.
Zoals ik hierboven onder 9.6 heb aangehaald wordt in art. 1 van het Uitleveringsbesluit steeds verwezen naar de betrokken functionaris (gouverneur, procureur-generaal) van het land waar de opgeëiste persoon wordt of is aangetroffen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het voor de ontvankelijkheid van de vordering van belang is, op welk eiland de opgeëiste persoon zich bevindt. In de Nederlandse jurisprudentie die van toepassing mag worden geacht op de Antilliaanse uitleveringsprocedure, is uitgemaakt, dat de officier van justitie in de uitleveringsprocedure – ondanks het feit dat art. 28 UW als mogelijke uitspraken slechts de toelaatbaarverklaring en de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering noemt – niet-ontvankelijk kan worden verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek, als de behandeling van de vordering niet mogelijk is omdat de opgeëiste persoon zich niet meer in Nederland bevindt en niet te verwachten valt dat hij nog zal terugkeren. De aangezochte staat moet immers in staat zijn de opgeëiste persoon aan de verzoekende staat uit te leveren. Daarnaast geldt dat tegen een niet-verschenen opgeëiste persoon geen verstek kan worden verleend. In een arrest van 10 juni 2003 heeft de Hoge Raad hierop echter een uitzondering gemaakt, die is af te leiden uit de onderstaande overwegingen:
“3.4 Op grond van het hiervoor onder 3.2.1 weergegevene moet er in cassatie van worden uitgegaan
- dat de opgeëiste persoon tevoren op de hoogte is gesteld van de behandeling van het uitleveringsverzoek door de Rechtbank;
- dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht dienaangaande ter zitting te worden gehoord, zoals ook blijkt uit de schriftelijke afstandsverklaring die zich bevindt bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken;
- dat zich niet het geval voordoet als bedoeld in art. 29, eerste lid, UW in verbinding met art. 279 Sv nu de raadsman ter zitting niet heeft verklaard door de opgeëiste persoon uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot de verdediging.
Voorts heeft de Rechtbank blijkens het hiervoor onder 3.2 weergegevene geoordeeld dat de opgeëiste persoon in Nederland verblijft, dat zijn identiteit vaststaat en dat bij haar ambtshalve ingestelde onderzoek niet is gebleken dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd.
Uit de bewoordingen van art. 29, eerste lid, UW en de hiervoren weergegeven wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat de wetgever niet heeft willen weten van het verlenen van verstek tegen een opgeëiste persoon die niet is verschenen op de zitting die is bepaald met het oog op zijn verhoor aangaande het verzoek tot zijn uitlevering. Ingeval de opgeëiste persoon op de bedoelde zitting niet is verschenen, dient de Rechtbank — behoudens wanneer aldaar een op de voet van art. 29, eerste lid, UW in verbinding met art. 279 Sv uitdrukkelijk gemachtigde raadsman is verschenen — op grond van art. 25, vierde lid, UW de dagvaarding van de opgeëiste persoon te gelasten tegen een nader te bepalen tijdstip, doch uitsluitend indien zij zijn aanwezigheid bij het verhoor wenselijk acht.
De art. 25, vierde lid, en 29, eerste lid, UW staan derhalve niet in de weg aan de behandeling van een uitleveringsverzoek ingeval noch de opgeëiste persoon noch een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter zitting is verschenen, behoudens indien de Rechtbank de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het verhoor wenselijk oordeelt. Die wenselijkheid kan — gelet op de wetsgeschiedenis — geacht worden te ontbreken wanneer er geen twijfel aan bestaat dat de opgeëiste persoon degene is om wiens uitlevering is verzocht, hij zich in Nederland bevindt, en hem tevens op de voet van art. 24, tweede lid, UW mededeling is gedaan van het voor zijn verhoor bepaalde tijdstip zodat hij in de gelegenheid is gesteld aldaar de in art. 26, derde lid, UW bedoelde bewering naar voren te (doen) brengen.”
Sanders leidt uit deze uitspraak af, dat als de uitleveringsrechter vaststelt dat de vordering van de officier van justitie in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend; de opgeëiste persoon – in elk geval tot het moment van de uitreiking van de vordering – in Nederland woonde; er van de zijde van de verdediging niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat de opgeëiste persoon zich niet in Nederland bevindt, de officier van justitie ontvankelijk kan worden geacht in zijn vordering.
Wat betekent dit nu voor onderhavige zaak? Uit de onder 4 weergegeven gang van zaken blijkt dat [de opgeëiste persoon 3] kennelijk zowel op Curaçao als op Sint Maarten heeft verbleven. Dat is ook de oorzaak van de twee gelijkluidende uitleveringsverzoeken van de Verenigde Staten aan beide landen. Uit de gedingstukken kan ten aanzien van de verblijfplaats van [de opgeëiste persoon 3] het volgende worden opgemaakt:
- In het dossier van de zaak komen vier woon-/verblijfadressen van [de opgeëiste persoon 3] voor, twee adressen in Curaçao ( [a-straat 1] en [b-straat 1]) en twee adressen in Sint Maarten ( [c-straat 1] te Philipsburg en [d-straat 1]).
Op 11 september 2013 hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten aan Sint Maarten verzocht de opgeëiste persoon ter fine van uitlevering voorlopig aan te houden. [de opgeëiste persoon 3] bleek toen echter in Curaçao te verblijven, zodat de autoriteiten van de VS op 1 oktober 2013 een gelijkluidend verzoek aan Curaçao hebben gedaan. Op basis van dit laatste verzoek is [de opgeëiste persoon 3] op 2 oktober 2013 in Curaçao aangehouden (op het adres [a-straat 1] ; zie het proces-verbaal uitvoering rechtshulpverzoek Washington D.C. 20530).
Na de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering door het van 6 februari 2014 is [de opgeëiste persoon 3] op vrije voeten gesteld, waarna deze naar Sint Maarten is gegaan. Daarbij ga ik af op een weergave van de gang van zaken in de conclusie van de wnd. procureur-generaal van Curaçao, Sint Maarten, St. Eustatius en Saba op de zitting van het Gemeenschappelijk Hof van 6 november 2014 in de zaak van Sint Maarten.
In het dossier bevindt zich een oproeping voor de zitting van het Gemeenschappelijk Hof van 28 augustus 2014 in de zaak van Sint Maarten (zonder bijbehorende akte van uitreiking), welke oproeping het adres [c-straat 1] in Sint Maarten vermeldt. Het proces-verbaal van het de genoemde zitting zelf vermeldt dat de niet-verschenen opgeëiste persoon woont “in Sint Maarten en/of in Curaçao” en houdt voorts in dat de oproeping voor de volgende zitting van 6 november 2014 dient te worden betekend op zowel het adres [c-straat 1] in Sint Maarten als het adres [b-straat 1] in Curaçao. De genoemde oproeping is vervolgens op 9 oktober 2014 in persoon aan de opgeëiste persoon betekend op (nog weer) een ander adres van de opgeëiste persoon, te weten: het adres [d-straat 1] in Sint Maarten.
Na de aanhouding van de zaak van Sint Maarten op de zitting van 6 november 2014 en het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2015 in de zaak van Curaçao worden ook de oproepingen voor de zittingen van het Gemeenschappelijk Hof van 7 mei 2015 en 20 augustus 2015 beide in persoon betekend op het adres [d-straat 1] in Sint Maarten.
Waar het proces-verbaal van de zitting van het Gemeenschappelijk Hof van 7 mei 2015 niettemin nog vermeldt dat de niet-verschenen opgeëiste persoon “in Sint Maarten en/of in Curaçao” woont, noemt het proces-verbaal van de zitting van 20 augustus 2015 als woonplaats van de (via een videoverbinding met Sint Maarten) nu wel verschenen [de opgeëiste persoon 3] alleen “Sint Maarten”.
Ietwat verwarrend is dat het Gemeenschappelijk Hof in zijn uiteindelijke advies van 3 september 2015 weer vermeldt dat de opgeëiste persoon “in Sint Maarten en/of Curaçao” woont. De cassatieakte van 4 september 2015 houdt dan weer alleen in dat de opgeëiste persoon in Sint Maarten woont.
In de cassatiefase zelf is de aanzegging in de zin van art. 31, vijfde lid, UW van 23 maart 2016 voorzien van het adres [b-straat 1] in Curaçao. Daarbij is kennelijk uitgegaan van een zich in het dossier bevindend in Curaçao opgevraagd “uittreksel uit de basisadministratie persoons-gegevens” van 21 maart 2016, dat inhoudt dat de opgeëiste persoon tot 6 september 2010 op het adres [b-straat 1] in Curaçao gewoond heeft (maar daarna is vertrokken naar Sint Maarten). Uit een akte van uitreiking van 5 april 2016 blijkt vervolgens dat de genoemde aanzegging in de zin van art. 31, vijfde lid, UW uiteindelijk in persoon is betekend op het adres [c-straat 1] in Sint Maarten.
Al met al lijkt het erop dat de opgeëiste persoon vanaf zijn vrijlating na het (eerste) advies van het Gemeenschappelijk Hof van 6 februari 2014 steeds in Sint Maarten heeft verbleven, maar daarbij wel twee verschillende adressen heeft gehad. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat het Gemeenschappelijk Hof de vordering van de procureur-generaal van Sint Maarten tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering als bedoeld in art. 13 van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten terecht ontvankelijk heeft verklaard, zodat het middel dat hiertegen gericht is niet kan slagen.
Maar hoe zit het nu met de vordering van de procureur-generaal van Curaçao? Als de redenering wordt gevolgd dat Curaçao voor de uitleveringsprocedure geldt als een zelfstandig land en op grond van hetgeen onder 9.9 en 9.10 is opgemerkt ook voor de vordering van de procureur-generaal van Curaçao geldt dat deze slechts ontvankelijk is als de opgeëiste persoon, [de opgeëiste persoon 3] , zich op Curaçao bevindt, dan had het hof op grond van hetgeen over de verblijfplaats van [de opgeëiste persoon 3] uit de gedingstukken kan worden opgemaakt, deze vordering niet ontvankelijke dienen te verklaren omdat zonder meer uit de betekeningen in persoon en de zitting van 20 augustus 2015 waarop [de opgeëiste persoon 3] via een videolink met Sint Maarten is gehoord, kan worden opgemaakt dat [de opgeëiste persoon 3] niet op Curaçao, maar op Sint Maarten verbleef. Uit het bestreden advies blijkt echter in het geheel niet dat het hof hierbij heeft stilgestaan. Mogelijk is de oorzaak hiervan dat het hof, zoals blijkt uit zijn beschikking waarbij het de uitleveringsdetentie heeft opgeheven, het Koninkrijk als één rechtsgebied beschouwt en het wellicht in de ogen van het hof er niet zoveel toe doet, welke gouverneur uiteindelijk de beslissing tot uitlevering neemt, die van Curaçao of die van Sint Maarten.
Naar mijn mening berust deze (impliciete aanname) echter op een onjuiste rechtsopvatting. Als Curaçao en Sint Maarten moeten worden aangemerkt als twee afzonderlijke landen, zoals ik hiervoor heb betoogd, dan had het hof niet beide vorderingen ontvankelijk mogen verklaren, maar slechts de vordering die betrekking had op het (ei)land waar [de opgeëiste persoon 3] verbleef.
Geredeneerd zou vervolgens kunnen worden, dat nu hierover noch in ten overstaan van het Gemeenschappelijk Hof, noch in de cassatieschriftuur over is geklaagd, dit niet tot cassatie zou hoeven te leiden. Het lijkt mij echter zuiverder en ook van belang als een signaal voor de rechtspraktijk, dat in het geval de Hoge Raad mijn redenering volgt, hij ambtshalve casseert en op grond van art. 4 lid 1 Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten de zaak zelf afdoet, nu dit naar mijn mening mogelijk is zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden.
Het vierde middel faalt, maar ik zal concluderen dat de Hoge Raad het advies ambtshalve zal vernietigen en de zaak zelf zal afdoen zoals hieronder zal worden vermeld.
10. Het vijfde middel klaagt erover dat het hof in de zaak van Sint Maarten in het kader van zijn oordeel over de toelaatbaarheid van de uitlevering niet is ingegaan op het – met een beroep op EHRM 4 september 2014, NJB 2014/2270 (Trabelsi/België) – gevoerde verweer van de verdediging dat ten aanzien van de verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon 3] sprake is van een dreigende schending van art. 3 EVRM.
Het middel faalt reeds vanwege de omstandigheid dat het aan de gouverneur is om te beoordelen of sprake is van een dreigende schending van art. 3 EVRM. Hij kan de daarbij om garanties vragen dat een eventueel op te leggen levenslange gevangenisstraf periodiek wordt herzien met inachtneming van de waarborgen die in de Straatsburgse jurisprudentie zijn geformuleerd. Tegen de desbetreffende beslissing van de gouverneur kan eventueel in kort geding worden opgekomen.
Maar het middel kan evenmin slagen, omdat de raadsvrouw van [de opgeëiste persoon 3] ter terechtzitting van het hof van 6 november 2014 weliswaar heeft gesteld dat aan [de opgeëiste persoon 3] in de Verenigde Staten van Amerika voor de drugsfeiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd en het rechtssysteem van de Verenigde Staten van Amerika geen adequate procedure voor de periodieke herbeoordeling van een dergelijke straf kent, maar deze stelling door de raadsvrouw op geen enkele wijze nader is onderbouwd. Nu de raadsvrouw het verweer van een dreigende schending van art. 3 EVRM niet van een nadere motivering heeft voorzien, kan niet worden gezegd dat het oordeel van het hof over de toelaatbaarheid van de uitlevering bij gebreke van een expliciete verwerping van dit verweer onbegrijpelijk is.
Het vijfde middel faalt eveneens.
11. De voorgestelde middelen treffen geen doel.
11. Ambtshalve concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor wat betreft het advies aan de gouverneur van Curaçao tot uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika over te gaan, waarbij de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de vordering van de procureur-generaal van Curaçao tot advies over de toelaatbaarheid van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden